dinsdag 19 maart 2013

Ordenen - verbondenheid in fragmenten

Niet alleen vanuit het perspectief van de kerken, maar ook op vele maatschappelijke terreinen zijn de traditionele sociale bindingen tussen mensen onderhevig aan sterke veranderingen: 'levenslange, duurzame betrokkenheid bij een sociaal verband komt minder vaak voor, partiële betrokkenheid wordt regel. ... Voor het kortstondige en zelfs vluchtige karakter van verbindingen en ontmoetingen is ook een nieuwe, positieve waardering ontstaan.' (H. de Roest, Een huis voor de ziel, 154) Die waardering, in sommige opzichten ook binnen de kerken, heeft te maken met de mogelijkheid tot het maken van eigen keuzes. Want, aldus De Roest: 'De behoeften van mensen zijn immers zeer gevarieerd.' (155)

Ook vanuit andere invalshoeken wordt deze waarneming bevestigd: 'In Nederland drukt dit "geloven buiten verband" (believing without belonging) zich uit in het opmerkelijke gegeven dat een niet onaanzienlijk deel van de bevolking zich niet beschouwt als lid van een kerkgemeenschap, maar wel als gelovig. ... Zoals waarschijnlijk op de meeste terreinen van het leven, gedragen zij [mensen] zich ook in religiosis primair als consumenten en gebruikers.' (E. Borgman, Metamorfosen, 36) Minstens zo belangrijk als deze vaststelling is de theologische fundering, die Borgman hiervoor aandraagt: 'De christelijke traditie heeft ... een visie op wat de samenleving feitelijk bij elkaar houdt, en op het verplichtende karakter van deze werkelijkheid. ... Wij mensen danken wat wij zijn en wat wij hebben aan anderen, aan wat ons vrij geschonken is. Dit impliceert de verantwoordelijkheid bij te dragen aan het welzijn van anderen.' (117) Deze onderlinge solidariteit als morele categorie en als verplichtende vorm van verbondenheid is echter geen op voorhand gegeven werkelijkheid. 'Partieel, gebroken, tekortschietend en steeds weer vragend om verdere voortgang en correctie kan deze solidariteit geïnstitutionaliseerd en gecultiveerd worden.' (126) Daarmee is gezegd, dat de lotsverbondenheid als een verschijningsvorm van ultieme solidariteit vaak op een gebroken, fragmentarische wijze tot uiting komt. Maar precies daarom bevat deze lotsverbondenheid - omdat zij 'steeds weer [vraagt] om verdere voortgang en correctie' - een intrinsieke kans om in dat streven naar verbondenheid te zoeken naar het geloof van mensen.

De feitelijke praxis

Na deze theologische overwegingen is het zaak om in de feitelijke praxis te ontdekken, of de verbondenheid in fragmenten inderdaad kansen biedt om het geloof van mensen bloot te leggen en eventueel te versterken.

In de ontmoeting met Aarnoud van der Deijl komt dit zoeken naar verbondenheid  - als een uitingsvorm van geloof - het meest helder tot uitdrukking in het erkennen van de mondigheid van mensen. Deze erkenning ligt in het verlengde van het respecteren van de principiële keuzevrijheid, die - in mijn visie - zijn grond vindt in de morele verantwoordelijkheid van iedere individuele mens. Aarnoud benadrukt, 'dat het van groot belang is om mensen aan te spreken op hun mondigheid. ... Het zit hem ... in de manier waarop je kerk bent met elkaar. Zo volgen we nogal eens de ingesleten gewoonte om voor het kerkelijke vrijwilligersbestand mensen te zoeken bij bepaalde taken. Maar het zou heel verfrissend zijn om dit om te keren: taken zoeken bij mensen.' (Zie ook het gesprek met Harry van Waveren) Daarmee worden mensen aangesproken op hun talenten en kwaliteiten, en dus ook op hun mogelijkheden om een stuk verantwoordelijkheid te nemen voor het gemeenschappelijke belang. En ook al is dit wellicht een verantwoordelijkheid 'in deeltijd', het is wel een uitdrukking van waar mensen voor willen staan of - anders gezegd - van waar ze in geloven.

Binnen de Brongroep bestaat de onderlinge verbondenheid in het kader van deze groep. Andere vormen van verbondenheid (shoppen met vriendinnen, een avondje in de kroeg, sporten) komen weer tot stand met andere mensen. Mijn vermoeden over de verbondenheid in fragmenten wordt daarmee bevestigd. Ook in die zin, dat de verbondenheid in deze groep belangrijk is voor de momenten en de duur van de contacten met deze mensen. De verbondenheid in fragmenten hoeft dus niet als negatief te worden bestempeld, maar kan juist als een grote innerlijke kracht werken bij de gratie van het moment - een kracht die overigens wel wordt meegenomen voor latere levensmomenten.

Mijn hypothese dat de verbondenheid tussen mensen zich voornamelijk in fragmenten manifesteert, wordt door Harry van Waveren volmondig onderschreven. 'Een leuk voorbeeld,' vertelt hij, 'is het verhaal van een van onze predikanten, Eeuwout van der Linden. In het kader van het proces op weg naar 2020 zou ieder van de predikanten een interview houden met een gemeentelid. Eeuwout koos daarvoor een deelnemer aan de pelgrimsreis naar Taizé uit, afgelopen zomer. Tijdens het gesprek schoven er steeds meer pelgrims aan, waardoor het uiteindelijk een groepsinterview werd. Op dat moment werd een hele sterke verbondenheid ervaren.' Zulke momenten van verbondenheid hebben mensen bij tijd en wijle nodig. 'Misschien wel vooral de jongere generatie,' meent Harry, 'is op zoek naar zulke momenten, naar inspirerende hoogtepunten. Dat is een ander manier van inspiratie zoeken dan in de reguliere kerkdiensten. En dat vraagt van predikanten en pastores een bijzondere aandacht. Het vraagt ook een vorm van religieus en spiritueel leiderschap, die is afgestemd op wat afwijkt van het reguliere. Jonge mensen leven misschien meer "van hoogtepunt naar hoogtepunt".'


Netwerksamenleving

Het thema van 'verbondenheid in fragmenten' is voor Ad van Loveren goed herkenbaar: 'We bevinden ons in een netwerksamenleving. De mate waarin mensen - nu eens met deze, dan met gene - onderlinge gemeenschap ervaren, verschilt van situatie tot situatie. De gradaties in gemeenschap zijn er al, je zult ze wel moeten constateren en benoemen.' Vanwege deze gefragmentariseerde verbondenheid zet Ad heel expliciet in op de dialoog als het structuurprincipe van de parochie: 'In Terneuzen kom ik bijeen met een groep van tien mensen, die elkaar in zekere zin slechts oppervlakkig kennen. Maar door het creëren van een open sfeer komen de deelnemers erachter wat de ander nou werkelijk beweegt. Dat is voor alle groepsleden - en voor mij - een hartverwarmende ervaring. De inspiratie die mensen tijdens zulke gesprekken vinden, overstijgt de menselijke gebrokenheid. Het is de taak van de pastor om zulke situaties te creëren en voorwaarden te scheppen, waardoor mensen tot elkaar kunnen komen, en waarin het je toevalt dat je tot geloven kunt komen.'

In het gesprek met Leuny de Kam wordt de verbondenheid in fragmenten zichtbaar wanneer ze wijst op het gegeven, dat jongere kinderen soms eerder met oma en opa naar de kerk komen dan met hun ouders. Maar ook herkenbaar wanneer de ouders zelf - zoals wel gebeurde na een kinderkerstviering - aan Leuny vragen; 'Doe je dit eigenlijk vaker?' Door de laagdrempelige liturgie voelen ook de ouders zich aangesproken. Het geeft aan dat ze zoekende zijn. En wanneer je als voorganger deze basale vorm van liturgie aanbiedt, dan geef je mensen ook de ruimte om fragmentarisch, maar voor dat moment zich toch verbonden te voelen. 'Dat gevoel van verbondenheid is voor mij ook een belangrijke reden,' benadrukt Leuny, 'om in een kleine gemeente veel aandacht te besteden aan pastoraat. Het persoonlijke contact met mensen is een essentiële manier om te laten zien, dat het geraakt willen worden tot de essentie van het evangelie behoort.'

Abt Bernardus herkent mijn veronderstelling van partiële verbondenheid in de mate waarin bezoekers gebruik maken van het gastenverblijf. Hij vertelt: 'Sommige gasten keren met regelmaat terug, anderen (het grootste deel) niet. In die zin is hun verbondenheid fragmentarisch. We nemen dat ook waar bij het kerkbezoek. Steeds meer mensen bezoeken onze kerk bij gelegenheid van de jaarlijkse misintentie voor hun dierbare overledenen of wanneer er bijvoorbeeld een gouden bruiloft te vieren is. Je zou dus kunnen spreken van bezoekers per evenement. Voor de voorganger maakt het dat er niet eenvoudiger op. Want op wie richt hij zich in zijn verkondiging: de broeders, de vaste kerkgangers of de passanten?' Uit dat oogpunt gezien, biedt de fragmentarische verbondenheid niet alleen mooie kansen, maar ook lastige vragen. Want het maatwerk dat mensen vragen, kan in een zekere spanning staan met de liturgische traditie waar je als representant van de kerk niet zomaar overheen wilt stappen.


Vluchtig

Ook in de Jonagemeenschap is de onderlinge verbondenheid, die weliswaar haar kracht vindt in de onderlinge vriendschappen, van een vluchtige en breekbare aard. Thomas Holvoet: 'We kennen elkaar, we weten van elkaars lief en leed. Maar je moet wel investeren in vriendschappen en in verbondenheid. Het gaat niet vanzelf. Binnen de gemeenschap proberen we die verbindingen te stimuleren, maar de investeringen moeten tenslotte komen van de mensen zelf. Binnen de gemeenschap zijn enkele ankerfiguren, die duurzaam investeren in de onderlinge verbondenheid. Maar de grote groep, zo merk ik, is toch enigszins volatiel.' Het stimuleren van verbondenheid is wezenlijk voor iedere christelijke gemeenschap, maar tegelijk hoort het ook bij de huidige tijdgeest, dat die verbondenheid soms maar van een beperkte duur is.

Als ik - bij mijn bezoek aan de Regenboogkerk - Arnold De Vijlder vraag naar zijn mening over op de wijze waarop mensen zoeken naar verbondenheid, brengt hij het gesprek op het Machariusproject, dat hem erg aan het hart gaat. 'De spirituele verbondenheid met anderen,' meent Arnold, 'zoeken mensen eerder buiten dan binnen de kerk. Maar op cultureel en artistiek terrein hebben we als kerk nog wel een slag te winnen. Daar speelt het project rond zingeving in de Machariuskerk, een kwartier lopen vanaf de Regenboogkerk, op in. Het project is een uitnodiging aan kunstenaars om beelden en vormen te zoeken voor zin en zinvolheid en ook aan al wie op zoek is om dat zoeken met ons te vertalen in een warme, menselijke ruimte.' Het zoeken naar zin komt hier bij uitstek in beeld als een gebeuren, dat mensen met elkaar verbindt in min of meer toevallige ontmoetingen en in fragmentarische, partiële verbondenheid.

Deze tendens is ook herkenbaar in de Bredase Ekklesia. 'Sommige mensen komen als vaste bezoeker elke maand,' vertelt Franck Ploum, 'andere om de twee of drie maanden. Alles bij elkaar hebben we tussen de vijf- en zeshonderd belangstellenden.' Het is een aanwijzing voor de verbondenheid in fragmenten, die kenmerkend is voor de hedendaagse mens. 'Deze verbondenheid is,' benadrukt Wim Goijaarts, 'ook zichtbaar in de jaarlijkse Lieddag, waar mensen uit alle windstreken op af komen om zich te oefenen in nieuwe liturgische liederen.' Het is een weerspiegeling van de verbinding per evenement, die ook werd geconstateerd door abt Bernardus en Harry van Waveren.

Enkele schrijvers aan het woord

Refererend aan de de gelijkenis van de zaaier (Mc 4,1-20) merkt bisschop Bonny op: 'Zo gaat Jezus te werk. Hij trekt van dorp naar dorp, van mens naar mens. Vaak laat hij zich leiden door toevallige ontmoetingen of gesprekken. Hij is niet kieskeurig. Integendeel. Zijn eerste woord is telkens een woord van barmhartigheid en vrede. Hij doet een eerste stap en geeft mensen de vrijheid hem te volgen. Kan de Kerk het anders doen? Zij is geroepen om zoals Jezus breed te zaaien. Kieskeurigheid is het laatste wat de Kerk zou mogen kenmerken. Hoe zouden toehoorders anders ooit leerlingen kunnen worden?' (Een houtskoolvuur ..., 12) Het toevallige van Jezus' ontmoetingen en de vrije keuze die hij aan mensen laat, lijken goed te passen bij de min of meer willekeurige verbondenheid van hedendaagse mensen. Toch is er iets, dat hier bovenuit gaat, want Jezus is - getuige zijn eigen betrokkenheid op God en op mensen - wars van alle vrijblijvendheid. Hij wil mensen juist raken in hun hart en aanspreken op hun behoefte aan authenticiteit. Misschien gaat het wel hier om: 'Jezus en zijn leerlingen maken op hun omgeving een verrassende indruk. Ze zijn niet zomaar in een beeld te vatten. Aan de ene kant zijn ze de mensen heel nabij. In vergelijking met andere religieuze of maatschappelijke groepen komen ze heel gewoon over. Zonder pretentie gaan ze hun weg. Aan de andere kant stralen zij een duidelijk verschil uit, iets wat verwondering wekt. Tot verademing van velen en tot groeiende ergernis van anderen. Waarin bestaat het verschil dat zij uitstralen? Onder meer hierin: dat ze vrij zijn en vreugde brengen, dat zij de veroordeelde of verloren mens weer in het midden van de kring zetten, ... dat zij elk gebruik van macht of geweld afwijzen, dat ze  ... geloven in de kracht van de liefde die niet rekent op beloning.' (13) Dit alles betekent in mijn aanvoelen, dat verbondenheid tussen mensen - ook al heeft zij een fragmentarisch karakter - niet op voorhand gekenmerkt moet worden als vrijblijvend. Waar mensen zich op een geloofwaardige manier geraakt weten in hun hart, al is het misschien maar door één ontmoeting, daar wordt iets gezaaid dat blijvende waarde heeft. Als dit zaad in goede aarde valt, zal het veel vrucht voortbrengen: 'dertig-, zestig-, ja honderdvoudig.' (Mc 4,8)

In het inleidende hoofdstuk van Levend lichaam schrijven De Roest en Stoppels: 'Jonge mensen die zich betrokken voelen bij de kerk zijn mobiel en gaan op zoek naar een geloofsgemeenschap waar ze zich sociaal en geestelijk thuis voelen.' (14) Zich betrokken voelen en geloven - ook al doen beide verschijnselen zich min of meer toevallig of fragmentarisch voor - hebben dus intrinsiek een gemeenschapskarakter. 'Christenen zijn per definitie geen solisten of doe-het-zelvers, maar gemeenschapsmensen. Ook in een tijd van individualisering is deze gemeenschap onopgeefbaar.' (21) Daarmee komen de auteurs tot het formuleren van 'een van de grootste uitdagingen in deze tijd voor de kerk: ... hoe voorkom je aan de ene kant dat je mensen opsluit in knellende organisaties en aan de andere kant dat mensen elkaar (en het christelijk geloof) kwijt raken in de vrijblijvendheid?' (21) Vooruitblikkend op het laatste deel van de studie wordt daarover gezegd: 'Het [slot]hoofdstuk biedt een indeling in soorten van fluïde kerkvormen, maar plaatst deze vormen ook in het kader van de late moderniteit, waarin de kerk verschijnt als een netwerk. We schrijven: "Het lijkt een goede zaak wanneer kerken niet al te bevreesd zijn om zich in de laat-moderne cultuur te begeven." Tegelijk zeggen we echter ook: "Het is wijs om niet alle kaarten te zetten op nieuwe vormen van kerk-zijn. Kwaliteiten als continuïteit, loyaliteit en diversiteit blijven met de gemeente en de parochie verbonden. Zonder solide vormen van kerk-zijn kunnen fluïde vormen van kerk-zijn nauwelijks worden gedacht".' (25) Daarmee geven De Roest en Stoppels precies de kracht en de kwetsbaarheid aan van de hedendaagse fragmentarische verbondenheid van mensen, zoals die ook werd verwoord - in het verslag over de Jonagemeenschap - in het beeld van een vloeibare kerk, een beeld dat associaties heeft met verfrissend en sprankelend, maar tegelijk met ongrijpbaar en instabiel.

In samenvattende bewoordingen van R. Nauta klinkt deze fragmentarische verbondenheid aldus: 'Christen zijn betekent niet meer, dat dit op allerlei fronten, in cultuur en politiek  school en werk, getoond moet worden. Religie wordt tot een kwestie van het innerlijk, de voeding ervoor wordt gezocht in een veelheid van losse contacten. De binding met gemeente of parochie is alleen voor enkelen nog van wezensbelang. Voor de meesten is hun betrokkenheid meer instrumenteel, bepaald door momentane behoefte en toevallig aanbod. Religiositeit is zo geworden tot een project - soms, af en toe, nu hier, dan daar, naar behoefte, in verscheidenheid.' (Paradoxaal leiderschap. Schetsen voor een psychologie van de pastor, 2006, 69)

De rol van de voorganger

Niet alleen vanwege deze resumé laat ik Nauta hier aan het woord. Ook vanwege de veranderde rol van de voorganger, die in vele interviews aan de orde komt, wil ik aandacht besteden aan wat Nauta in dit verband naar voren brengt. Uit de vraaggesprekken memoreer ik de volgende punten. De vaststelling, dat vooral de jongere generatie zoekt naar inspirerende hoogtepunten, vraagt van predikanten en pastores een bijzondere aandacht. Het vraagt ook een vorm van religieus en spiritueel leiderschap, die is afgestemd op wat afwijkt van het reguliere (Van Waveren). Vanwege de behoefte aan inspiratie, die mensen vinden tijdens geloofsgesprekken, is het de taak van de pastor om zulke situaties te creëren en voorwaarden te scheppen, waardoor mensen tot elkaar kunnen komen, en waarin het je toevalt, dat je tot geloven kunt komen (Van Loveren). Wanneer je als voorganger een basale vorm van liturgie aanbiedt, dan geef je mensen ook de ruimte om fragmentarisch, maar voor dat moment zich toch verbonden te voelen (De Kam). Abt Bernardus kenschetst het merendeel van de kloostergasten als bezoekers per evenement. Voor de voorganger maakt het dat er niet eenvoudiger op. Want op wie richt hij zich in zijn verkondiging: de broeders, de vaste kerkgangers of de passanten? Uit dat oogpunt gezien, biedt de fragmentarische verbondenheid niet alleen mooie kansen, maar ook lastige vragen. Thomas Holvoet wijst op de noodzaak van enkele ankerfiguren, die duurzaam investeren in de onderlinge verbondenheid.

Over de rol van de pastor als geestelijk leider heb ik in een eerder blogbericht Tj. van Knippenberg aan het woord gelaten: 'Geestelijk leiderschap is erop gericht mensen bij elkaar te brengen om samen zicht te krijgen op hun bestemming, hen te inspireren in het realiseren van die bestemming en de condities daarvoor te scheppen.' Voor het zicht krijgen op de menselijke bestemming wijst Van Knippenberg erop, dat de prediking van Jezus is gericht op het naderbij brengen van Gods koninkrijk, d.w.z. op het realiseren van een bezield verband. 'Wij maken het niet, maar kunnen er iets van gewaar worden in tekens', aldus de schrijver. In tekens wordt de onderliggende betekenis van de werkelijkheid zichtbaar. 'Om die waar te nemen moet je reframen, veranderen van perspectief, de gewone manier van kijken bijstellen.'

Deze perspectiefwijziging wordt ook door R. Nauta bepleit. 'Het eigene van het religieuze leiderschap is niet het bewerkstelligen van een of ander uitwendig effect, maar de exploratie van de vraag: wie ben ik eigenlijk zelf - een vraag die gesteld wordt in de context van geschiedenis en cultuur, van persoonlijke ontwikkeling en sociale verbondenheid. Om tot hulp te zijn moet de religieuze leider niet alleen een insider zijn, een ingewijde in Schrift en traditie, een meester die wil voorgaan op de weg die hij anderen weet te wijzen, een celebrant van het transcendente, maar hij kan die positie alleen maar innemen in het bewustzijn dat hij zelf ook een buitenstaander is, ongelovig en zonder begrip van wat de boodschap die hij verkondigt impliceert. Men kan alleen maar religieus leider zijn, wijzen naar het antwoord op de vraag wie men werkelijk is, als men zichzelf ook leerling weet van degenen die om die hulp vragen.' (Paradoxaal leiderschap, 19-20) De gewijzigde rol van de pastor wordt - ik citeer de schrijver met bijval - nogmaals geformuleerd: 'In een tijd waarin bijna geen gelovigen meer zijn maar nog wel "zoekers naar zin", een tijd waarin mensen zichzelf wat zijn kwijtgeraakt, zijn er andere religieuze leiders nodig: open voor de verscheidenheid van het religieuze, op zoek naar de grondvragen van het bestaan, in staat het heil te verkondigen op een wijze die ontdaan is van het al te etherische maar ook van het al te banale. Zulke religieuze leiders, ook op het vlak van de lokale gemeenschap, in eigen dorp of stad, moeten zelf de beweging van geloof en overgave, van twijfel en tegenzin hebben meegemaakt om geloofwaardig te zijn voor anderen. En zij moeten in staat zijn dat verhaal te plaatsen in de grote beweging van geschiedenis en levensloop.' (46-47)

Wat de implicaties zijn van deze gewijzigde rol van de voorganger hoop ik in het toekomstige blogbericht over suggesties en perspectieven te verhelderen.

Wat de aandacht trekt

Uit het gevarieerde materiaal dat ik heb verzameld, wil ik nog enkele punten naar voren halen die om bijzondere aandacht vragen. Van belang lijkt mij allereerst het theologische uitgangspunt, zoals door Borgman geformuleerd, dat vanuit de christelijke traditie de cohesie in de samenleving wordt bevorderd door het verplichtende karakter van de solidariteit. Deze verplichting komt voort uit het gelovige besef, dat mensen hun bestaan te danken hebben aan anderen, aan wat hen vrij geschonken is. De gave gaat dus vooraf aan de opgave. Deze lotsverbondenheid als morele categorie is echter geen op voorhand gegeven werkelijkheid. Ze vraagt, in de formulering van Borgman, 'steeds weer om verdere voortgang en correctie.' Of, in mijn woorden, om de voortdurende en steeds vernieuwde instemming van de individuele mens. Juist het bevestigen van het morele karakter van de lotsverbondenheid opent de mogelijkheid om in dat streven naar solidariteit ook het geloof van mensen te ontdekken. 'Het is immers in de ervaring van de gebrokenheid van het bestaan, dat mensen het meest dringend behoefte hebben aan een oervertrouwen, aan een geloof dat grond geeft aan hun leven. Precies vanwege het steeds onvoltooide karakter van de verbondenheid staat zij - vanuit religieus c.q. christelijk oogpunt - in het teken van de uiteindelijke voltooiing door God zelf. En waar dit geloof van individuele mensen zich ontwikkelt tot een georganiseerde vorm van lotsverbondenheid en geloofsbeleving, daar kan ook sprake zijn van kerk in de betekenis van geloofsgemeenschap.' (Uit mijn blogbericht van 10 januari 2013)

In de bespiegelingen van bisschop Bonny voel ik mij gesterkt om het het hierboven geschetste niet-vrijblijvende karakter van de menselijke verbondenheid te onderstrepen. Enerzijds lijken het toevallige van Jezus' ontmoetingen en de vrije keuze die hij aan mensen laat, goed te passen bij de min of meer willekeurige verbondenheid van hedendaagse mensen. Maar daarmee is niet alles gezegd. Want anderzijds laat Jezus zien, dat hij - getuige zijn uiterste betrokkenheid op God en op mensen - afkerig is van iedere vorm van vrijblijvendheid. Ook al heeft de verbondenheid tussen mensen tegenwoordig vaak een fragmentarisch karakter, dat geeft geen aanleiding om op voorhand uit te gaan van het vrijblijvende van menselijke relaties. Waar mensen zich - schreef ik hierboven - op een geloofwaardige manier geraakt weten in hun hart, al is het ook misschien maar door één ontmoeting, daar wordt iets gezaaid dat blijvende waarde heeft. Ook Leuny de Kam zit op deze lijn: 'Het persoonlijke contact met mensen is een essentiële manier om te laten zien, dat het geraakt willen worden tot de essentie van het evangelie behoort.'

Tenslotte wil ik nog wijzen op enkele kansen en mogelijkheden, maar tegelijk ook op vragen en moeilijkheden, die zich voordoen wanneer mensen zich 'per evenement', dus incidenteel verbinden met de religieuze dimensie van hun bestaan. Niet alleen abt Bernardus wijst op dit fenomeen, ook in de gesprekken met Harry van Waveren (jonge mensen leven misschien meer van hoogtepunt naar hoogtepunt) en met de mensen van de Ekklesia (sommige mensen komen elke maand, andere om de twee of drie maanden) wordt hiervan gewag gemaakt. De kansen van dit verschijnsel liggen vooral opgesloten in de mogelijkheid om mensen in hun behoefte aan zingeving aan te spreken op het moment, dat ze daar ontvankelijk voor zijn. Er kan 'maatwerk' geleverd worden, mits de voorganger (in gemeente/parochie, in het klooster of tijdens een pelgrimstocht) hierop weet in te spelen. Dat is niet altijd eenvoudig, want soms heeft de voorganger rekening te houden met verschillende soorten 'publiek' (de broeders, de vaste kerkgangers of de passanten, zoals de abt aangeeft). En daarmee kom ik op de vragen en moeilijkheden van het maatwerk, want de vraag naar specifieke en passende rituelen kan in een zekere spanning staan met de liturgische traditie waar je als representant van de kerk niet zomaar overheen wilt stappen. Bovendien heeft de voorganger in bepaalde omstandigheden rekening te houden met mensen die een verschillende religieuze achtergrond hebben (of die deze achtergrond ontberen, maar du moment wel deel van het publiek zijn). Deze spanningen - tussen traditie en toekomst, tussen maatwerk en herkenbare rituelen, tussen een incidentele en een geregelde wijze van inspiratie zoeken, tussen vaak grote verschillen in religieuze achtergrond - vragen veel van de creativiteit van de voorganger: niet alleen in zijn liturgische capaciteiten, maar meer nog in zijn communicatieve kwaliteiten. Het is echter niet alleen de voorganger, die wordt geconfronteerd met deze spanningen. Ook de parochie of gemeente waar zij/hij voor staat, moet zich met deze spannende verhoudingen zien te verstaan.

Misschien is een authentieke wijze van geloofscommunicatie wel de aangewezen weg om met deze spanningen om te gaan. Het geloofsgesprek dus als mogelijkheid om de spanning tussen gisteren en morgen uit en vol te houden. Ik hoop daar verder op in te gaan in het toekomstige blogbericht over suggesties en perspectieven.