donderdag 21 maart 2013

Oogsten - conclusies en vragen

Aan de indruk, dat er nogal wat onderzoeken worden gedaan om de visie van de opdrachtgever te ondersteunen, kan ik mij niet onttrekken. Het onderzoek dat PVV-leider Wilders in 2012 liet doen om aan te tonen, dat terugkeer naar de gulden financieel gunstiger zou zijn voor de Nederlandse economie, is in mijn waarneming een sprekend voorbeeld daarvan. Met deze constatering geef ik ook de betrekkelijkheid aan van mijn eigen studieproject in deze drie maanden van sabbatverlof. Ik heb gezocht naar bevestiging van mijn vermoedens omtrent de kansen, die aanwezig zijn in het krimpscenario met betrekking tot geloof en kerk. Van een zekere vooringenomenheid kan ik mijzelf dus niet helemaal vrijpleiten. Anderzijds zijn er ook onderzoeken beschikbaar, die - uitgaande van bepaalde veronderstellingen - hebben geleid tot mooie en zelfs briljante uitkomsten. Het formuleren van de wet van de zwaartekracht door Isaac Newton in 1687 heeft uiteindelijk geleid tot resultaten, die destijds nog niet in zicht waren, maar vandaag binnen de mogelijkheden liggen (denk aan de lanceren van satellieten, die onder meer navigatie mogelijk maken op basis van het GPS-systeem). De vergelijking met Newton kan ik in de verste verte niet doorstaan, maar ik ga er wel van uit, dat met het stellen van vragen of het formuleren van vermoedens een andere, nieuwe zienswijze ontwikkeld kan worden - een zienswijze die meer mogelijkheden schept om de menselijke realiteit in overeenstemming te brengen met wat wenselijk of aantrekkelijk is.

De startvraag van mijn onderzoek ging uit van het vermoeden, dat de kwantitatieve krimp van geloof en kerk zou kunnen leiden tot een kwalitatieve groei in de bezieling van mensen en in het vormen van bezielde (kerkelijke) verbindingen. Uitgesplitst naar drie subvragen (geloof en kerk in de marge, kerk in beweging, verbondenheid in fragmenten) tekenen zich in de interviews en in de bestudeerde literatuur een aantal contouren af, die het trekken van enkele conclusies rechtvaardigen, maar daarnaast ook een aantal vragen opleveren voor verdere uitwerking.

Onverwachte ruimte

In de ordening met betrekking tot geloof en kerk in de marge heb ik aangegeven, dat de theologische plaatsbepaling van kerk in de zijlijn van de hedendaagse cultuur moet gezien worden in het kader van het paradoxale geloof in de vernedering van het kruis als een onverwachte ruimte voor nieuwe kansen. En verder, dat deze positie eerder met het profetische spreken van de bijbel dan met het dogmatische spreken van het kerkelijke leergezag verbonden lijkt. In verschillende bewoordingen wordt ook in een aantal vraaggesprekken dit profetische spreken geprefereerd boven het dogmatische spreken. Deze voorkeur voor het profetische, visionaire, toekomstgeoriënteerde, hoopvolle spreken geeft mij aanleiding om te concluderen, dat hierin betere kansen liggen om het krimpscenario te benaderen dan in het leerstellige, gesloten, soms angstige, en vaak naar het verleden gekeerde spreken vanuit kerk en geloof. Daarmee wil ik niet het waardevolle ontkennen van wat ons wordt aangereikt vanuit de traditie, maar wel wijzen op de beperkingen van een angstvallig vasthouden aan waarden of visies, die voor de situatie van vandaag niet langer adequaat lijken.

In dit kader is het aangewezen om nogmaals te benadrukken, dat er bij de meeste geïnterviewden een duidelijke behoefte aanwezig is om ruimte te hebben voor een vrije, eigen en eigentijdse toepassing van de evangelische boodschap. Deze vrije opstelling maakt het mogelijk om te zoeken naar een vormgeving van geloof en kerk, die past bij de hedendaagse behoefte aan spiritualiteit en levensduiding. Juist de onafhankelijke positie biedt mooie kansen om in de samenleving van vandaag een uitgespaarde plek te bieden, waar mensen tot rust en bezinning kunnen komen, en waar andere waarden worden hoog gehouden dan die welke in de contemporaine cultuur om voorrang strijden. Het lijkt dus van belang om deze vrije en onafhankelijke opstelling te zien als een belangrijke voorwaarde om kerk en geloof gestalte te kunnen geven in de huidige omstandigheden.

Andere voorwaarden uit het verzamelde materiaal wijzen nog op het belang van de bereidheid om soms moeilijke, maar wel radicale keuzes te durven maken; op de wezenlijk keuze voor de dialoog als communicatieprincipe; en op het willen focussen op inspiratie, meer dan op organisatie. Het meest opvallende echter uit de gegevens is naar mijn opvatting, dat de marginale positie van geloof en kerk bij de geïnterviewden geen aanleiding geeft tot doemdenken of notoir pessimisme. Ik heb geschreven: 'Misschien is het uitstralen van deze positieve, optimistische houding wel een grotere bijdrage aan de wervingskracht van geloof en kerk dan het zorgelijke klagen over kerkbanken die alsmaar leger raken.' En ik voeg daar nu aan toe, dat de hoopvolle instelling van christenen een betere weerspiegeling is van het goede nieuws (= evangelie) dan het benadrukken van de verontrustende aspecten van de krimp. Deze hoop is een uiting van het vertrouwen, dat wordt uitgedrukt in Psalm 127,1: 'Als de Heer het huis niet bouwt, is het zinloos dat de bouwlieden werken.'

Tot slot van deze paragraaf nog een tweetal vragen. Allereerst kwam tijdens het bestuderen van het verzamelde materiaal de vraag bij mij naar boven, of het mogelijk is om vanuit een theologische c.q. gelovige invalshoek betekenis te geven aan de kwantitatieve vermindering van het aantal kerkmensen. Zou de God van Jezus van Nazaret ons iets willen duidelijk maken met de leegloop van de kerken? De tweede vraag betreft de tegelijk kwetsbare en krachtige positie, zoals die zich in de vraaggesprekken en de literatuur aftekent, van de enthousiaste, inspirerende voortrekker binnen de bezielde verbanden. Hoe kan deze paradoxale positie vruchtbaar worden gemaakt voor mensen die zoeken naar bezieling en levensduiding? Een bescheiden poging tot beantwoording van deze vragen wil ik binnenkort wagen in het blog over perspectieven en suggesties.

Principiële dynamiek

De poging om de gegevens inzake kerk in beweging te ordenen ben ik begonnen met het zoeken naar een theologische fundering van de principiële dynamiek, die geloof en kerk kenmerken. Ik denk deze fundering gevonden te hebben in Borgmans invalshoek, dat God zich niet openbaart als het begin van alles, maar als ervaring - van wat de mens overstijgt - die zich voordoet in het verloop van de geschiedenis; de volledige onthulling van deze openbaring kan pas plaats vinden aan het einde van de geschiedenis. Als gevolg daarvan staat de christelijke religie in beginsel radicaal geopend naar wat komt. Dit betekent, dat de bestaande vormen, waarin de kerk zich aan ons voordoet, altijd opnieuw gezien moet worden vanuit de optiek van wat zich voordoet of zal voordoen. Het geloof van mensen wordt weliswaar ondersteund door bepaalde organisatievormen en geformaliseerde rituelen, maar het zit daar niet in opgesloten. Christelijk geloof en kerk zijn daarom intrinsiek onderhevig aan een toekomstgerichte dynamiek. Dit is geen pleidooi om alles uit het verleden achteloos naast ons neer te leggen, maar vooral om niet verkrampt vast te houden aan wat ons werd aangereikt vanuit datzelfde verleden. De dynamiek van geloof en kerk ligt niet in voorbije tijden, maar in wat toekomstige kansen oplevert - en in hoe we daar vandaag mee omgaan.

In de vraaggesprekken komt beweging en dynamiek onder meer naar voren als een proces van los laten. Het los komen van wat vertrouwd is, van gangbaar geworden patronen, gaat in de meeste gevallen gepaard met een schrijnende ervaring van verlies. Aan deze pijnlijke ervaring mag niet lichtvaardig voorbij gegaan worden. Het is zaak om hiervoor in de veranderingsprocessen zorgvuldig ruimte te scheppen. Anderzijds bieden de processen van dynamische ontwikkelingen in kerk en geloof ook kansen voor het vinden van nieuwe inspiratie, voor het toewerken naar een meer flexibele, aan de omstandigheden aangepaste organisatie en - tenslotte - voor een toekomstgeoriënteerd inzetten van je energie. In het verlengde hiervan kan nog gewezen worden op de invalshoek van het in-beweging-zijn als navolging van Jezus van Nazaret. Deze navolging houdt ook in, dat Jezus' volgelingen zich durven inlaten met de onzekerheid van het menselijke bestaan, zoals uitgedrukt in Mc 8,20: 'De vossen hebben een hol, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.' Ook zullen die volgelingen zich moeten verstaan met de vernedering en de hoon die deze keuze kan meebrengen (vgl. Mt 5,10-11). Maar uiteindelijk mogen zij ook vertrouwen op de barmhartige en genadige bescherming, die God biedt aan al wat hem dierbaar is (vgl Mt 6,25-34: zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan krijg je al het andere erbij). Navolging, beweging, dynamiek - eerder heb ik dit ook gekoppeld aan de pelgrimage - is derhalve een precair gebeuren, niet zonder risico's, dat alleen tot een goed einde gebracht kan worden in het fundamentele vertrouwen dat het God zelf is, die bij dat goede einde op ons wacht.

In enkele interviews wordt expliciet of impliciet verwezen naar beweging als werking van de Geest. De Geest  (taalkundig mannelijk, maar als verschijning onzijdig) is in bijbelse verhalen de Aanwezige bij het nieuwe begin. Hij wordt geassocieerd met lucht, wind, levensadem, en met de duif. In die laatste betekenis wordt de Geest ook gezien als symbool van vrede, of misschien mag je zeggen, van te-vreden-zijn, van je op je gemak voelen, van thuis zijn bij jezelf, bij de ander, bij God. De Geest is ongrijpbaar als de wind, maar zichtbaar in het enthousiasme van mensen (vgl Hand. 2,1-11). Hij is daarom ook het inspirerende principe, degene die mogelijkheden opent voor het nieuwe en voor onvermoede, andere vormen van leven en samenleven. De inspiratie van de Spiritus is dus een moeilijk te traceren, maar onmisbaar gegeven waar sprake is van dynamiek en nieuwe beweging in het kader van geloof en kerk. Het advies van Paulus om alles te keuren en het goede te behouden (1 Tes. 5,21) versta ik in dit verband als het voortzetten van wat goed is voor het geloof, de inspiratie en het toekomstgeoriënteerde handelen van mensen, die zoeken naar bezielde verbanden.

Ook deze paragraaf sluit ik af met een tweetal vragen. Om te beginnen is er de vraag naar de dynamiek van de go-structure, te onderscheiden van de come-structure. David L. Finell (link opent download van pdf-bestand) omschrijft deze verschillen in kerkstructuur als de uiteinden van een continuüm, waarbinnen allerlei variaties mogelijk zijn. Een kerk gevormd als come-structure probeert mensen te bereiken door zich aantrekkelijk te presenteren en hen bijeen te brengen op een centrale locatie. Een kerk die zich oriënteert op de go-structure probeert - in plaats van mensen te verzamelen in een kerkgebouw - hen te bereiken in de huizen en gemeenschappen waar ze wonen en werken. Mijn globale indruk is, dat in veel parochies en gemeenten feitelijk wordt gekozen voor de come-structure. 'Het denken over de kerk wordt nog volop beheerst door een heiligverklaring van de parochie zoals wij die kennen.' (De Groot, Levend lichaam, 279) Vraag is echter, of de go-structure niet betere kansen oplevert voor de hedendaagse behoefte van mensen aan spirituele voeding en levensnabije zingeving. Met de keuze voor de go-structure als een wijze van missionaire presentie wordt van de 'doorsnee' parochies en gemeenten echter wel een geheel andere zienswijze gevraagd. Dit proces van anders leren kijken is vergelijkbaar met wat in de bijbel 'bekering' wordt genoemd. De tweede vraag betreft de spanning tussen solide en fluïde vormen van kerk-zijn. Ik ga ervan uit, dat beide vormen een legitieme bestaansgrond hebben; geen van beide kan aanspraak maken op exclusiviteit. Anders gezegd: zonder inspiratie komt geen organisatie tot stand, maar zonder organisatie vervliegt de inspiratie al gauw tot een ongrijpbaar gebeuren. De vraag is echter hoe de spanningsverhouding tussen soliditeit en fluïditeit vruchtbaar gemaakt kan worden ten behoeve van de voortgang van geloof en kerk. Op de hierboven geformuleerde twee vragen wil ik nader ingaan in het laatste blog van dit studieverlof over perspectieven en suggesties.

Fundamentele behoefte

Ook bij de laatste van de drie ordeningen - die met betrekking tot verbondenheid in fragmenten - heb ik geprobeerd een theologisch fundament te vinden voor de feitelijk vaak partiële, maar toch ook fundamentele behoefte van mensen aan verbondenheid. Opnieuw is het Borgman die mij op weg helpt. Hij wijst erop, dat wat mensen zijn en wat zij hebben, in oorsprong te danken hebben aan anderen. In het kort: het leven van mensen wordt hen vrij geschonken. Vanuit de christelijke traditie word dit geschenk gerelateerd aan de goddelijke genade. Deze gave impliceert echter ook een opgave: het samenleven van mensen heeft ook een verplichtend en moreel karakter. De gave gaat echter wel vooraf aan de opgave of - in theologische termen - de genade is primair aan de ethiek, maar leidt daar ook wezensnoodzakelijk naartoe. Het menselijke samenleven appelleert dus aan een onderlinge solidariteit als morele categorie. 'Partieel, gebroken, tekortschietend en steeds weer vragend om verdere voortgang en correctie' (Metamorfosen, 126) moet deze solidariteit voortdurend worden vormgegeven in particuliere relaties en organisatorische verbanden. Precies vanwege de gebroken en fragmentarische wijze waarop deze lotsverbondenheid tot uiting komt, bevat zij ook uitgelezen kansen om in dit streven naar solidariteit te zoeken naar het geloof van mensen. Waar de verbondenheid tussen mensen zich dus op fragmentarische wijze laat kennen, daar is ook de mogelijkheid aanwezig om kiemen van geloof te ontdekken en te cultiveren.

Hierboven heb ik gewezen op het verplichtende karakter van de menselijke verbondenheid, ook als die solidaire onderlinge verhouding tot uiting komt in fragmenten. De partiële of tijdelijke solidariteit komt bijvoorbeeld in zicht op het moment, waarop iemand een digitale petitie tekent voor meer rechtsgelijkheid van homoseksuele mensen in Rusland. De appellerende aard van de intermenselijke verhoudingen is echter een gevolg van de genadegave, die het leven van mensen initieert en draagt. Dat wij mensen ons leven (en ook ons samenleven!) primair ontvangen en dat daarop het morele karakter van de lotsverbondenheid van mensen is gebaseerd, opent de mogelijkheid om in deze vervlochtenheid van gave en opgave te zoeken naar geloofskiemen, die een krachtbron kunnen vormen voor inspiratie en bezielde verbanden. Waar de verbondenheid tussen mensen - zij het ook fragmentarisch - op geloofwaardige, authentieke wijze gestalte krijgt, daar zal de vluchtigheid van de ontmoeting een tegenwicht vinden in de appellerende, niet-vrijblijvende hoedanigheid van het menselijke samenzijn.

Over de rol van de pastor in dit precaire, maar kansrijke proces van zoeken naar verbondenheid heb ik in het voorgaande blog al een aantal auteurs aan het woord gelaten. Ook enkele gesprekspartners in de interviews hebben daarover behartenswaardige woorden gesproken. Ik zal daar verder op ingaan in het komende blog over perspectieven en suggesties. Hier wil ik mij nog concentreren op de vraag, welke 'taalbeweging' de pastor zou moeten maken om de religieuze dimensie van de realiteit te verwoorden in de beleving van hedendaagse mensen. Deze beweging lijkt mij nodig om momenten van verbondenheid tot stand te brengen vanuit de actuele behoefte aan zingeving en spirituele voeding. De overgang van 'eerste taal' naar 'tweede taal', van beschrijvende naar evocatieve taal, van feiten- naar teken-taal kan deze dynamische beweging verduidelijken. Het schema, dat ik zelf hanteer bij het opstellen van mijn overwegingen, vertrekt steeds vanuit een herkenbaar voorbeeld of vanuit de feitelijke actualiteit; van daaruit en in samenhang daarmee maak ik de overgang naar de uitleg van de Schriftwoorden; tenslotte geeft deze uitleg weer aanleiding om de toehoorders een richting, een perspectief of enkele suggesties mee te geven voor het leven van alledag. Het schema laat zich formuleren als: praktijk-Schrift-praktijk, of ook: eerste-tweede-eerste taal. Begin- en eindpunt worden dus gevormd door de feitelijke levenspraktijk van mensen (= eerste taal). Maar deze praktijk wordt wel ingekleurd, van betekenis voorzien, in een ander kader gezet (= tweede taal) vanuit het Schriftwoord, waarin we Gods betrokkenheid bij mens en wereld willen herkennen. Dit schema kan overigens ook gehanteerd worden in het individuele pastorale gesprek of in het geloofsgesprek, dat in groepsbijeenkomsten wordt gevoerd. In deze 'taalbeweging' probeer ik mensen mee te nemen en te appelleren aan de gezamenlijk te ontwikkelen levensoriëntatie. In deze gezamenlijkheid hoop ik de onderlinge verbondenheid tot stand te brengen of te bevorderen. Ook al wordt de verkondiging veelal ervaren als een monoloog, wanneer toehoorders via de tweede taal in het hart worden geraakt, wanneer zij dus het gehoorde kunnen herkennen en beamen, dan is er in dit spreken een dialogale intentie aanwezig. Zo ontstaat er - ook in het 'eenrichtingsverkeer' van de verkondiging - iets van gezamenlijkheid en wederzijdse verbondenheid.

Ik sluit dit blog af met een citaat, waarin zowel het gave- als het opgavekarakter van het menselijk bestaan op markante wijze onder woorden wordt gebracht: 'Liefde bestaat wel, in allerlei vormen, maar ze is niet zo vanzelfsprekend als ons wordt voorgespiegeld in de romantische literatuur. 't Is hard labeur, afzien [opgave - WH]. Onze ideeën over liefde en gevoelens zijn trouwens net zozeer aan mode onderhevig als kleren en automodellen. Neem nu de nadruk die tegenwoordig wordt gelegd op zelfontplooiing. Jezelf ten dienste stellen van anderen is er niet meer bij, je moet aan jezelf werken, eerst van jezelf houden voor je van een ander kunt houden... Flagrante onzin, toch. Je kunt volgens mij geen eigenliefde hebben zonder dat een ander je eerst bemind heeft [gave - WH].' (God en vitriool. Interviews met Connie Palmen. Met een voorwoord van Adriaan van Dis, 2005, 49)