vrijdag 29 maart 2013

Krimp als kans - perspectieven en suggesties

Het zoeken naar kansrijke perspectieven lijkt mij van uitzonderlijk belang vanwege een tweetal bedreigingen, die zich voordoen ten aanzien van het krimpscenario van vooral de kerk en in mindere mate ten aanzien van het geloof van mensen. Bij beide bedreigingen is in mijn waarneming de angst een belangrijke drijfveer, maar tevens de spreekwoordelijk slechte raadgever.

De eerste bedreiging komt voort uit de sterke behoefte van vooral reguliere kerkgangers en noeste vrijwilligers om zo lang mogelijk overeind te houden, wat hen altijd vertrouwd is geweest. Als zodanig is die behoefte wel te begrijpen, want ze biedt mensen veelal een krachtig houvast. Deze behoefte wordt onder woorden gebracht, als mensen zeggen: 'Je weet wel wat je hebt, maar niet wat je krijgt.' Toch valt het moeilijk te ontkennen, dat in deze zienswijze mensen met het gezicht naar het verleden en met de rug naar de toekomst staan. Deze richting biedt op de korte en zeker op de langere termijn geen soelaas. Het krimpscenario wordt hier uiteindelijk een doodlopende weg.

De tweede bedreiging doet zich voor wanneer kerkelijke leiders - overigens vanuit hun oprechte overtuiging - beleidskeuzen maken, die feitelijk weinig of geen gelegenheid laten voor dialoog en ruimte voor vrije invulling. In zekere zin is deze keuze te begrijpen vanuit de overtuiging, dat de kerkleiding zich als taak gesteld ziet om het evangelie in zuivere vorm te behoeden in deze chaotische tijden, waarin het geloof - althans in formeel-kerkelijke zin - steeds minder mensen lijkt aan te spreken. Hierbij is echter de vraag, of de gerichtheid op het behoeden voldoende vertrouwen kan genereren. Kunnen kerkleden en andere potentieel geïnteresseerde mensen tot de ervaring komen, dat de kerkleiding spreekt 'als iemand met gezag' (Mc 1,22)? Wanneer het de kerkleiding niet lukt om te spreken met natuurlijk gezag en als zodanig het vertrouwen van mensen te winnen, wanneer het niet lukt om de menselijke mondigheid en eigen verantwoordelijkheid te erkennen, wanneer er geen ruimte wordt geboden voor flexibiliteit en experiment, dan is ook hier sprake van een doodlopende weg. Positief geformuleerd: waar de kerkleiding in staat is om principieel ruimte te scheppen voor dialoog, daar ontstaat tussen leiding en gelovigen een wederzijds vertrouwen, dat meer eenheid oplevert dan de angst voor mogelijk verlies van de zuiverheid van de kerkelijke leer. In dit verband wil ik eenheid graag opvatten als de intentie tot verbondenheid en gelijkgestemdheid, veel meer dan als strikte of zelfs voorgeschreven uniformiteit. De 'innerlijke' eenheid heeft mijn voorkeur boven de 'uiterlijke'. Of  met de woorden van Hélène in het gesprek met de Brongroep: 'Anders is óók goed.'

Aan de angst voorbij

Als inderdaad de angst om te verliezen in beide bovengenoemde bedreigingen de drijfveer is voor de feitelijke gemaakte keuzes, dan wil ik hier graag een lans breken voor het zoeken naar alternatieve opties, die aan de angst voorbij gevonden kunnen worden. Dat vraagt om moedige keuzes. Moed is het kenmerk van mensen, die hun angst onder ogen durven zien, maar desondanks zich vrij voelen om te doen wat nodig is. Het geloof in de noodzakelijke en daarom juiste keuze is sterker dan de angst om te verliezen wat onopgeefbaar lijkt. Op dit moedige geloof doet Jezus een appel, wanneer hij zegt: 'Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven om Mij verliest, die zal het redden.' (Lc 9,24) Los laten wat vertrouwd is en wat niet prijs te geven lijkt, is niet eenvoudig. Maar de moed om desondanks te kiezen voor het paradoxale verlies dat winst oplevert, maakt het onmogelijke op een onverwachte manier toch mogelijk.

Het mag duidelijk zijn, dat dat ik op deze plaats een krachtig pleidooi wil houden voor de mogelijkheid om te zoeken naar experimentele vormen van geloofsbeleving. Daarmee wordt ruimte geboden om naast solide vormen van kerk-zijn ook aan fluïde mogelijkheden het bestaansrecht te verlenen. Ik besef, dat daarmee risico's zijn verbonden. K. de Groot formuleert dit mogelijke gevaar als de waarschuwing 'om mee te gaan in de processen van disembedding, omdat de kerk dan zou verbrokkelen in huisgemeenten, nieuwe bewegingen en andere initiatieven waarbij het individu zelf voor haar of zijn geloofsgenoten kiest.' (Levend lichaam, 258v) Het gevaar van versplintering lijkt mij echter vele malen groter, wanneer het uitsluiten van een experimentele ruimte uiteindelijk leidt tot het uitsluiten van mensen. Velen zijn immers in de wanorde van het huidige tijdsgewricht oprecht op zoek naar een geloofsbeleving, die past binnen hun eigen verlangen naar spirituele voeding. Ruimte bieden voor het experiment boezemt in mijn aanvoelen eerder vertrouwen in dan insteken op strikte voorschriften. Dit vergt van de verantwoordelijke kerkleiders een ontwikkelings- en leerproces vergelijkbaar met dat van ouders, die hun opgroeiende kinderen de ruimte moeten bieden, zodat zij hun eigen weg kunnen vinden in het leven. Daarom gaat mijn voorkeur sterk uit naar een inclusieve benadering boven een exclusieve. Het experiment dus als legitiem onderdeel van de gezamenlijke zoektocht naar de betekenis van het christelijke geloof voor mensen van vandaag. De inclusieve benadering vraagt om een moedig geloof, dat door Jezus op een robuuste en radicale wijze wordt verbeeld in de metafoor van het mosterdzaadje (vgl. Mt 17,14-20).

Lijnen tussen marge en kern

In aansluiting hierop wil ik wijzen op het belang van de gezamenlijkheid van het spirituele zoeken. In de gesprekken die ik heb gevoerd en in de bezoeken die in heb afgelegd, is zichtbaar geworden hoe velen speuren naar een nieuw spiritueel elan om zich staande te houden in de huidige omstandigheden. Vaak speelt deze zoektocht zich af in de marge van niet alleen de kerk, maar ook de samenleving. Toch is het van enorme betekenis om de resultaten van deze spirituele queeste bruikbaar te maken voor het hart van zowel kerk als samenleving. Dit betekent, dat het 'elan van de marge' een structurele implementatie verdient in de kern van de maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen. Anders gezegd: de verbindingslijnen tussen de periferie en het hart dienen van weerskanten en voortdurend open gehouden te worden. H. de Roest zegt in dit verband: 'De historicus Arnold Toynbee concludeerde op basis van uitgebreid historisch onderzoek [A Study of History. Vol I, 1934 - WH] dat samenlevingen zichzelf vooral vernieuwen door groepen die zich in de marge bevinden. Potentiële creativiteit, schreef hij, is vooral in de marge te vinden. Toynbee suggereerde zelfs, dat maatschappijen die creativiteit stimuleren en daarvoor aan minderheidsgroepen alle kans geven op den duur geschiedenis zullen schrijven.' (Een huis voor de ziel, 25) Een zekere mate van visionaire moed is noodzakelijk om de communicatielijnen tussen de marge en de kern open te houden. Iets van deze moed zie ik terug in de ruimte die de parochiekerk in Kortrijk biedt aan de Jonagemeenschap. Het zou goed zijn, wanneer in iedere parochie gezocht wordt naar kansen om deze verbinding met de marge te concretiseren. Zeker nu de parochieverbanden steeds groter worden, zou het mogelijk moeten zijn minstens één parochiekern te ontwikkelen tot een herkenbaar profiel, waarin het elan van de marge een plaats krijgt in de kernactiviteiten van kerk-zijn.

Een concrete suggestie in deze richting is te vinden in de mogelijkheid om te komen tot een 'centrum voor kerk, cultuur en samenleving'. Iets daarvan is in beeld gekomen tijdens mijn bezoek aan Gent, toen Arnold De Vijlder met onverholen enthousiasme vertelde over het Machariusproject. Met dit initiatief wordt geprobeerd om in een stedelijke context 'een bestaand kerkgebouw zo her in te richten, zo vrij te maken naar geest en stenen, dat het een plaats wordt waar een grote groep mensen een bron kunnen vinden…' (aldus de website). Maar ook in een meer rurale setting is het mogelijk om een dergelijk centrum te ontwikkelen. H. de Roest beschrijft deze mogelijkheid, die onder de naam Aeropagus in Monnickendam heeft bestaan van van 2001 tot 2011: 'Rond de tweehonderd vrijwilligers, kerkelijke en niet-kerkelijke, helpen mee. Er zijn tot nog toe zevenhonderd avonden, workshops, maaltijden en feesten georganiseerd. Vele bijeenkomsten vonden plaats in de Lutherse Kerk aan het Zuideinde. Een website geeft een helder beeld. In totaal zijn veertig reizen mogelijk gemaakt, variërend van dagexcursies tot veertiendaagse tochten. Een zevenjarig kunstproject werd in 2009 afgesloten, er kwamen muurgedichten over dieren, een luisterwandeling van Peter Faber, een neonregel van Bert Schierbeek "het dier heeft een mens getekend" en begeleidende publicaties. Communicatie is de specialiteit van Aeropagus: vijftienhonderd "adressen" lezen het krantje, de kwaliteit van het drukwerk voor kunstprojecten, affiches, folders wordt geroemd.' (Een huis voor de ziel, 301v)

Als ik dus voorstel om in de regio, waarin ik werkzaam ben, te komen tot een centrum voor kerk, cultuur en samenleving, dan is dat als zodanig geen spectaculair nieuw idee. Maar wel nieuw binnen deze regio. Een bescheiden begin voor een dergelijke mogelijkheid heb ik in de afgelopen jaren ontwikkeld in het aanbod van filmavonden met een telkens wisselend levensbeschouwelijk thema. Maar ik denk ook aan de activiteiten van de groep Geloofsvorming met Volwassen in Zierikzee, die - voor een oecumenisch publiek - ieder jaar een gevarieerd programma aanbiedt met films, wandelingen en inleidingen rond verschillende thema's. In de komende tijd wil ik erop inzetten, dat deze en andere activiteiten een onderkomen vinden in zoiets als een 'centrum voor kerk, cultuur en samenleving'. Het zou mooi zijn, als het lukt om daar een zekere uitstraling van te laten uitgaan, die mensen uitnodigt om met elkaar op zoek te gaan naar wat hen spiritueel kan voeden.

Het pleidooi voor een centrum voor kerk, cultuur en samenleving (als een van de mogelijkheden naar nieuwe wegen voor geloof en kerk) vraagt soms de moed om keuzes te maken. Tegelijkertijd moet het in dit verband mogelijk zijn om van de nood een deugd te maken. Wanneer een evident verminderd aantal kerkgangers noopt tot het terug brengen van het aantal kerkelijke vieringen, of wanneer er minder vraag is naar uitvaart-, doop en huwelijksvieringen, dan ontstaat er ook meer tijd om andere activiteiten te ontwikkelen. Daarnaast kan gezocht worden naar een kleinere, meer flexibele organisatievorm, die beter past bij de behoeften van deze en van de komende tijd. De optie voor een kleine en een brede kerkenraad, zoals verwoord in het gesprek met Harry van Waveren, is een voorbeeld van kansen die zich hier voordoen.

Spiritualiteit als professie

Hiermee kom ik terug op de rol van de voorganger. Hij (gelieve desgewenst ook te lezen: zij) is degene, die in dit complexe proces van zoeken naar kwalitatieve groei in een situatie van kwantitatieve krimp leiding geeft. Dat vraagt van de voorganger om professionaliteit en spiritualiteit.

Het professionele handelen komt tot uitdrukking in het vermogen van de voorganger een adequate analyse te maken van de aangetroffen realiteit: cultureel, maatschappelijk, politiek, economisch en ook sociaal-psychologisch. De empathische en communicatieve eigenschappen van de voorganger vereisen, dat hij zich niet alleen thuis voelt bij de rol van leraar, maar ook van leerling. Hij moet de rol van de mindere, van de vragensteller kunnen aannemen. Van daaruit kan hij de ander leiden naar het - voor die ander relevante - antwoord. 'Misschien is de wijze van werken van zulke religieuze leiders, zoals eens Franciscus deed, wel eerder te omschrijven als een pogen tot begrijpen dan als trachten te worden verstaan.' (R. Nauta, Paradoxaal leiderschap, 9) De voorganger moet daarnaast in staat zijn om - in het spanningsveld tussen gisteren en morgen, tussen verliezen en winnen, tussen Egypte en het beloofde land - de gemeente of parochie op koers te zetten en te houden naar het 'land van melk en honing.'

En daarmee maak ik de overgang naar de spirituele kwaliteiten van de voorganger. In de spanningsvelden (zoals hierboven genoemd) moet hij in staat zijn om voeling te houden met zijn eigen spirituele bronnen. Deze voeling moet het de voorganger mogelijk maken om de spirituele krachten aan te boren in individuele mensen, groepen en geloofsgemeenschappen. Het bloot leggen van deze spiritualiteit biedt richting aan het maken van moedige keuzes, die noodzakelijk zijn in het hedendaagse woestijnlandschap tussen de slavernij van gisteren en de vrijheid van morgen.

Het type leider dat nodig is voor het maken van dergelijke moedige keuzes wordt door Nauta het Mozaïsche leiderschap genoemd. Hij onderscheidt dit leiderschap van het Paulinische type. 'Mozes' charisma is profetisch, gecentreerd op de introductie van de wet, terwijl Paulus' charisma mystiek van aard is, gericht op de viering van de bevrijding van mensen van de wet tot de liefde. ... Mozaïsche leiders vertegenwoordigen exclusieve waarden. Deze waarden binden degenen die naar afstamming en geboorte bijeenhoren samen. ... Paulinisch leiderschap representeert inclusieve waarden - tolerantie, solidariteit. Paulus als apostel belichaamt deze inclusieve waarden door het verkondigen van het evangelie als goddelijke liefde en verzoening aan de heidenen.' (45) Nauta is van oordeel, dat in het huidige tijdsgewricht eerder behoefte is aan inclusieve dan aan exclusieve leiders: 'Meer dan aan een markering van de moraal, lijken zulke leiders vooral te voldoen aan het verlangen naar een fundering van de persoonlijk identiteit. ... In een multiculturele, pluriforme maar ook individualistische samenleving zullen religieuze leiders vooral van betekenis zijn wanneer zij opereren vanuit een meer inclusief perspectief, met een mystieke inslag.' (46)

Ik zou, in onderscheid met Nauta, de reikwijdte van het Paulinische en het Mozaïsche leiderschap nader willen preciseren. Want in mijn optiek zijn beide typen noodzakelijk: het Mozaïsche, profetische type vooral gericht op de mensen die ik eerder heb aangeduid als de reguliere kerkgangers en noeste vrijwilligers; het Paulinische, inclusieve type voornamelijk gericht op de mensen die gekenschetst kunnen worden als de zinzoekers en de kwetsbaren in onze samenleving. Dat betekent, dat de voorganger de kunst moet verstaan om te schakelen tussen beide typen van leiderschap, afhankelijk van de feitelijke gesprekspartners van het moment. Als alternatief zou, binnen een pastoraal team, ervoor gekozen dienen te worden om beide leiderschapstypen vertegenwoordigd te hebben.

Op weg durven gaan

Zowel Mozes als Paulus hebben het waagstuk aangedurfd om op weg te gaan. In het verlengde hiervan wil ik nogmaals pleiten voor de kansen, die de go-structure kan bieden voor het zoeken naar spirituele kwaliteit in de krimpsituatie. Omdat verhoudingsgewijze steeds meer mensen zich buiten de structuren van de kerkelijke organisatie bevinden, ligt het voor de hand om hun evidente verlangen naar spirituele voeding en levensduiding te honoreren op de plekken waar zij feitelijk te vinden zijn. In dergelijke omstandigheden heeft het Paulinische, inclusieve leiderschap de voorkeur boven het Mozaïsche. Wanneer de (missionaire) presentie van de kerk wordt georganiseerd als een go-structure, dat wil zeggen buiten of weg vanuit het centrum van de gebruikelijke parochiestructuur, dan lijkt dit goed aan te sluiten bij de eerder gesignaleerde verbondenheid in fragmenten, bij de ontwikkeling van kleine geloofsgroepen en bij de meer vloeibare vormen van kerk-zijn.

Het primaire doel van het werken volgens de go-structure is niet om mensen te verleiden zich uiteindelijk te voegen in een come-structure. Voorop staat, dat zichtbaar wordt hoe de evangelische boodschap een inspiratiebron kan zijn voor mensen in het huidige tijdsgewricht. Als mensen geïnspireerd en geraakt worden, kunnen ze tot geloof komen, maar uiteindelijk moet er ruimte zijn zodat zij daarin hun vrije keuze kunnen maken. Wanneer voor deze werkwijze wordt gekozen, dan vraagt dit - niet alleen van de religieuze leiders, maar ook van de religieuze gemeenschappen - dat zij eerder vertrekken vanuit een poging te begrijpen dan bij de wens om te worden verstaan. Mij lijkt, dat er in een aantal gevallen met name door reguliere kerkgangers en ijverige vrijwilligers op dit punt nog wel een slag te maken valt. En ook, dat zij daarbij de nodige ondersteuning krijgen en richting worden gewezen door de voorganger, die zijn profetische, Mozaïsche rol goed beheerst. 

Als ik zelf deze Mozaïsche rol wil vervullen, dan moet ik - op dit punt aangekomen - nog stil staan bij de vraag, of er vanuit een theologisch c.q gelovig standpunt zin en betekenis te geven is aan de kwantitatieve vermindering van het aantal kerkmensen. Wat betekent het voor regelmatige kerkgangers en nijvere vrijwilligers om te zien, dat het zwaartepunt van het hedendaagse zoeken naar inspiratie buiten de vertrouwde kerkelijke structuur ligt? De solide verbondenheid van de 'harde kern' met de parochiële organisatie staat in schril contrast met de fragmentarische verbondenheid van vele anderen. Deze constatering betekent in ieder geval, dat de overgebleven kleine groep van parochianen zich moet zien te verhouden met de gewijzigde omstandigheden. Dit impliceert onder meer, dat de 'te grote jas' (in termen van gebouwen, aantal vieringen en andere mogelijke activiteiten) verwisseld moet worden voor een meer passend model. En verder, dat het inzicht moet groeien dat verbondenheid in geloof op vele en zeer gevarieerde manieren tot uitdrukking kan komen: dus ook buiten de gekende kerkstructuur. Het betekent - opnieuw - dat het leren los laten van wat ooit vertrouwd was misschien wel de belangrijkste ontwikkelingstaak is, en ook de belangrijkste geloofsbeweging, die in de komende tijd gemaakt moet worden. Tijd nemen om te treuren hoort daarbij. Misschien kan daarbij ook het inzicht helpen, dat de waarde van de evangelische boodschap niet afhankelijk is van de ondersteuning door grote aantallen. De intrinsieke waarde van het evangelie is juist, dat pas door het aanvaarden van de dood (de teleurstelling, de mislukking, de plaats in de marge) nieuw leven kan ontstaan. God sluit nooit een deur, of hij zet wel een raam open. Naar deze opening, deze nieuwe mogelijkheden, zullen we met elkaar op zoek moeten gaan.

Krachtbron

Vandaar, dat ik wil afsluiten met een pleidooi voor de noodzaak van het ontwikkelen en beter benutten van het geloofsgesprek. De dialoog over wat mensen beschouwen als een krachtbron in hun leven, over hun diepste overtuiging, over waar zij fundamenteel op vertrouwen, komt niet zomaar tot stand. Daar moet op structurele wijze ruimte voor gecreëerd worden. Wat mij betreft zou dat betekenen, dat bestaande werkgroepen in de parochies meer het karakter van geloofsgroepen moeten krijgen. Anders gezegd: hun veelal taakgerichte werkwijze zou versterkt kunnen worden, zou aan kwaliteit kunnen winnen, door de leden van de betreffende werkgroep met elkaar in gesprek te brengen over hun taak als vrijwilliger in het kader van hun geloofsopvatting. Binnen het tijdsbestek die de agenda biedt, dient er ruimte gemaakt te worden voor het geloofsgesprek. Dat lijkt een extra druk te leggen op de beperkte en voor actieve vrijwilligers vaak kostbare tijd. Het vraagt daarnaast ook om oefening en de wil om door te zetten. De winst van deze werkwijze is in de praktijk echter groter dan het ogenschijnlijke verlies aan tijd. R. Hornikx beschrijft in dit verband zijn ervaring: 'Ik stelde aan het einde van deze bijeenkomsten [met ruimte voor het geloofsgesprek - WH] vast, dat de onderwerpen die aan het begin van de vergadering werden besproken, hun uitwerking hadden op de rest van de vergadering.' (Het geloofsgesprek, 2003, 18)

Mijn ervaring is, dat vergaderingen van allerlei werkgroepen vaak worden geopend met een bezinnende tekst door de voorzitter of door een van de werkgroepleden. Dat is een goed begin. Ik zou zelf meer erop willen inzetten om tien tot vijftien minuten tijd te nemen, zodat bijvoorbeeld de vraag gesteld kan worden waarom deze tekst is gekozen. De beantwoording van die vraag en de reacties die dat oplevert, helpen de deelnemers om iets onder woorden te brengen van wat hen bezielt. Die bezieling zouden we meer met elkaar moeten communiceren. Want 'de parochie is nog verder verschoven naar de rand van de samenleving. En het geloofsgesprek wint aan belang en is een onmisbare voorwaarde voor mensen om te leren geloven en om over hun geloof te vertellen aan anderen.' (Het geloofsgesprek, 33) Het is misschien wat hoog gegrepen (maar als suggestie wil ik het niet onvermeld laten), wanneer een werkoverleg niet alleen wordt begonnen met een kort geloofsgesprek, maar ook wordt afgesloten met de vraag wat het werkoverleg heeft opgeleverd voor de geloofsgroei van de deelnemers. In een breder verband kan deze geloofsgroei, deze toename van spirituele kwaliteit - niet alleen van de vaste kern van parochianen, maar ook van de mensen die een partiële binding met de geloofsgemeenschap zoeken - een uitwerking krijgen die verder reikt dan enkel de betreffende werkgroep. Er kan zelfs een aanzet in gezien worden, waardoor Spiritualiteit als motor tot vernieuwing (R. Hornikx, 2002) bijdraagt aan een opflakkerend en om zich heen grijpend elan in parochies en gemeenten.

De metafoor van het mosterdzaadje

De vergelijking van het mosterdzaadje komt bij de evangelisten Matteüs en Lucas in verschillende versies voor. In Mt 17,14-20 verwijt Jezus zijn leerlingen, dat zij de genezing van een epilepticus niet konden bewerkstelligen door hun gebrek aan geloof. Op hun beurt vragen de leerlingen in Lc 17,1-6 aan Jezus om hun vertrouwen te versterken vanwege diens radicale appel om de berouwvolle zondaar steeds weer te vergeven - indien nodig zeven keer per dag. Bij Matteüs is het Jezus en bij Lucas zijn het de leerlingen zelf, die hun vertrouwen als ontoereikend aanmerken. Jezus gebruikt in beide gevallen de metafoor van het mosterdzaadje als aanduiding van het geloof c.q het vertrouwen, dat nodig is om het onmogelijke mogelijk te maken: een berg van hier naar daar te verplaatsen (Mt) of een moerbeiboom naar zee te verplanten (Lc).

Het onmogelijke mogelijk maken: dat ligt evident niet binnen het menselijke bereik. En toch houdt Jezus het schijnbaar onmogelijke als een optie open. Het onmogelijke als toch-mogelijk (zie ook: Borgman Metamorfosen, 114-120) verschijnt ons als een perspectief, omdat wijzelf het - in zijn totaliteit - kunnen noch hoeven te realiseren. De finale verwezenlijking van dit perspectief staat immers in het teken van de uiteindelijke voltooiing door God. Maar door dit perspectief wordt tegelijk op ons, mensen, een appel gedaan. Het is onze opdracht om dit vooruitzicht - van het schijnbaar onmogelijke als optie - mede hoog te houden en vorm te geven. Vanuit dit kader is het zoeken naar kansen voor geloof en kerk - gegeven het krimpscenario - een opgave, die soms bijna onmogelijk lijkt, maar tegelijk een verplichtend karakter heeft vanuit het perspectief van de toekomstige voltooiing door God. Het opgave-karakter van dit appel vindt zijn keerzijde in het gave-karakter, dat spiritueel wordt gevoed door de metafoor van het mosterdzaadje als verbeelding van geloof.

Mijn weblog ben ik een jaar geleden begonnen met te schrijven: 'Het perspectief van het krimpscenario als kans zie ik dus al een tijdje voor me, maar hoe dat geconcretiseerd kan worden is nog niet zo duidelijk. ... Het begint dus klein. Met een idee. Als een mosterdzaadje. En dat kan uitgroeien tot ... Ja, dat gaan we dus zien.' Dat kleine begin van toen is wat mij betreft uitgegroeid tot de stevige overtuiging, dat we in de huidige krimpsituatie ten aanzien van de kerk - overigens veel minder ten aanzien van het geloof van mensen - niet bang moeten zijn om ongebaande wegen te gaan. Bij het zoeken naar nieuwe richtingen mogen we een spirituele krachtbron vinden in de metafoor van het mosterdzaadje.