maandag 21 januari 2013

Inspiratie voor innovatie

Interview met Harry van Waveren
Voorzitter Kerkenraad Protestantse Gemeente Goes

Het groeiende besef dat een nieuwe koers uitgezet moet worden, is bepalend voor het bezinningsproces, dat in de Protestantse Gemeente in Goes (PGG) vanaf 2011 is opgestart. Aan dat proces geeft Harry van Waveren, samen met  de Commissie 2020, sturing en impulsen. Want: 'De huidige moeilijke situatie in onze gemeente is ook een kans om zicht te krijgen op datgene waar het om gaat in kerk en geloof,' zo staat vermeld in het inlegvel van de Commissie 2020 bij het kerkblad van de PGG, december 2012.

Beweging en ontwikkeling

Dat dit geen eenvoudige opgave is, blijkt wel meteen aan het begin van het gesprek als Harry aangeeft, dat het onder meer gaat om de vraag: 'Hoe creëer je meer ruimte voor beweging en ontwikkeling, als je tegelijk de last van het instituut moet dragen? Een tekort van 30% op de uitgaven is immers geen sinecure. Roosters voor kerkdiensten moet je intussen toch zien rond te krijgen. In het proces richting 2020 zetten we in op de ontwikkeling van drie kerken naar één kerk. Dat ene gebouw moet dan als thuisbasis gaan dienen. Dit is een proces, waarin we primair moeten leren om los te laten - de regelmaat, de gebouwen, de vertrouwde gezichten. We zijn in alle zorgvuldigheid op zoek naar een vorm om dit proces goed door te komen.'

De noodzaak van het los laten - hoe pijnlijk soms ook - wordt wel onderkend in de gemeente. 'Het verzet was groter,' zegt Harry, 'toen we tien jaar geleden in het proces van Samen op Weg zaten. Het besef "dat er wat  moet gebeuren", is nu duidelijk aanwezig bij de meeste gemeenteleden. Tegelijk heb ik het vermoeden, dat we het eindpunt van de marginalisering van de kerk in de hedendaagse samenleving nog niet hebben bereikt. Dat zie je niet alleen in bepaalde maatregelen van de huidige regering of in de discussie over "geloof achter de voordeur", maar ook in het beperkt rekening houden met kerkelijke activiteiten door sportclubs of culturele verenigingen.' In die zin is Harry van mening, dat de pijn om de marginale positie van geloof en kerk op dit moment groter is dan de eventuele vruchten die deze situatie oplevert. 'We zullen eerst moeten leren nog meer los te laten - dan pas ontstaat er ruimte om te kunnen profiteren van de vrijheden die een plaats in de marge verschaft.'

Dit alles leidt ook tot het inzicht, dat er een grotere flexibiliteit zou moeten komen in de kerkorde. Dat vergroot de beweeglijkheid van de kerkelijke organisatie. 'Zo zou je,' vindt Harry, 'nieuwe vrijwilligers moeten benaderen met het vooruitzicht van een minder lange binding aan hun taak. Die flexibele insteek levert betere kansen op voor het vervullen van de taken die gedaan moeten worden.' En mijn gesprekspartner stemt in als ik zeg, dat we ook moeten leren om taken te zoeken bij mensen in plaats van - wat we nu vaak doen - mensen bij taken. Daarnaast wordt in de PGG ook gezocht naar een soepeler organisatie door te werken met een 'kleine' en een 'brede' kerkenraad, de eerste bestaande uit 15 leden (met tien vergaderingen per jaar, mogelijk verminderd tot zeven), de tweede uit 40 leden (twee vergaderingen per jaar). Op deze manier kunnen meer mensen zich beter concentreren op hun eigenlijke taak.

In de marge

Als ik vraag of Harry kan instemmen met mijn waarneming, dat geloof en kerk in de marge van de samenleving staan, stelt hij vast: 'We willen als kerk wel iets betekenen voor de samenleving, maar de vraag is hoe we dat kunnen realiseren. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de diaconale taak van de kerk, dan merk je dat gemeenteleden tegenwoordig gemakkelijker te engageren zijn voor de nood dichtbij (Voedselbank) dan voor het gebrek verder weg (honger in Sudan). Bovendien moeten we ons realiseren, dat misschien wel de positie van geloof en kerk marginaal geworden is, maar niet wat je als kerk wil doen. Daadwerkelijk dienstbetoon hoort immers tot de kern van de evangelische opdracht. En dat betekent weer, dat je ook scherp moet kijken naar hoe de samenleving vandaag in elkaar steekt.'

Hierbij maakt de Commissie 2020 gebruik van een onderzoek van Bureau Motivaction naar verschillende 'culturele mentaliteiten'. Het onderzoek wijst onder meer uit, dat de kerkelijke traditie veel nadruk legt op het collectieve, terwijl voor de meerderheid van de Nederlanders de eigen realiteit en die van de nabije ander centraal staan. Een andere conclusie uit het onderzoek is, dat in kerkelijke kringen de geschreven taal veel aandacht krijgt, terwijl de meerderheid van de Nederlanders zichzelf vooral terug vindt in een beeldcultuur. Je zou kunnen zeggen, dat er een zekere mismatch van waarden te constateren is tussen waar de kerken voor staan en wat Nederlanders doorgaans belangrijk vinden. Daarmee bevestigt het onderzoek in essentie ook de marginale positie van kerk en geloof.

De kerkenraadsvoorzitter wijst mij erop, dat de marginale positie van geloof en kerk niet uitsluitend als kansrijk gezien moet worden, maar ook een valkuil kan opleveren. 'Zo is bijvoorbeeld het celibaat steeds moeilijker uit te leggen aan mensen van vandaag. De samenleving oordeelt daar "harder" over dan in het verleden. Je moet dus ervan uitgaan, dat het volharden in een dogmatische opvatting - hoe essentieel misschien ook - ertoe kan leiden, dat je kansen om aansluiting te vinden bij de hedendaagse mens kleiner worden.' De kerk zou daarom niet zozeer een dogmatisch, maar eerder een profetisch standpunt moeten innemen, wil de positie in de marge tot betere mogelijkheden leiden voor geloof en kerk.

Verbondenheid in fragmenten

Mijn vermoeden dat de verbondenheid tussen mensen zich voornamelijk in fragmenten manifesteert, wordt door Harry volmondig onderschreven. 'Een leuk voorbeeld,' vertelt hij, 'is het verhaal van een van onze predikanten, Eeuwout van der Linden. In het kader van het proces op weg naar 2020 zou ieder van de predikanten een interview houden met een gemeentelid. Eeuwout koos daarvoor een deelnemer aan de pelgrimsreis naar Taizé uit, afgelopen zomer. Tijdens het gesprek schoven er steeds meer pelgrims aan, waardoor het uiteindelijk een groepsinterview werd. Op dat moment werd een hele sterke verbondenheid ervaren.'

Zulke momenten van verbondenheid hebben mensen bij tijd en wijle nodig. 'Misschien wel vooral de jongere generatie,' meent Harry, 'is op zoek naar zulke momenten, naar inspirerende hoogtepunten. Dat is een ander manier van inspiratie zoeken dan in de reguliere kerkdiensten. En dat vraagt van predikanten en pastores een bijzondere aandacht. Het vraagt ook een vorm van religieus en spiritueel leiderschap, die is afgestemd op wat afwijkt van het reguliere. Jonge mensen leven misschien meer "van hoogtepunt naar hoogtepunt".' Dat alles maakt het overigens niet gemakkelijker voor degenen die leiding geven aan de kerkelijke gemeente. Want hoe voorkom je in een spagaat terecht te komen, als 60% van de gemeenteleden ouder is dan 60 jaar (met een voorkeur voor het traditionele kerkelijke aanbod), terwijl de 40% die jonger is eerder aansluiting zoekt op momenten en manieren, die voor henzelf relevant zijn? Diezelfde spagaat is - zo beaam ik - overigens ook vast te stellen in de katholieke kerk, wanneer deze in haar bisdommelijke beleid inzet op aandacht voor a) traditionele parochianen, b) zinzoekers en c) mensen die onze diaconale aandacht vragen. En - aanhakend bij deze laatste doelgroep - ondanks alle inzet en goede bedoelingen van de caritas en van de diaconie is het toch heel moeilijk om juist met die mensen in contact te komen, die een beroep zouden kunnen doen op kerkelijke financiële ondersteuning.

Op dit punt meent Harry, 'dat we de diaconie ook wel van ons af georganiseerd hebben. Veel is overgenomen door de burgerlijke overheid, of door organisaties die los staan van het kerkelijk netwerk. Met het houden van diaconale collectes is het kerkelijke dienstwerk misschien meer een kwestie van geld dan van het hart geworden. De intenties zijn goed, maar de diaconie heeft een zweem van oubolligheid over zich gekregen. Wellicht zouden we ook op het vlak van de diaconie uitdrukkelijker gebruik moeten maken van de verbondenheid in fragmenten: de diaconie meer verbinden met evenementen, zoals je bijvoorbeeld ziet rond acties als Serious Request.'

Inspiratie voor innovatie

Het proces van de PGG op weg naar 2020 is een complex en uitdagend gebeuren - zoveel is wel duidelijk. Maar het kan ook nieuwe inspiratie geven, nieuw enthousiasme genereren. Het eerder vermelde inlegvel zegt daarover: 'Het woord van Jezus over de twee of drie die in Zijn naam bijeen zijn, geeft vrijheid om de kerk "opnieuw uit te vinden". Beproefde vormen van kerk-zijn zijn het waard om voort te zetten. Maar vormen, tradities zijn in Jezus' naam iets levends. Ook in Goes zullen we deze zoektocht met elkaar aan moeten gaan in het besef dat organisatie, gebouwen en mensen de kerk tastbaar maken. Het is een uitdaging om bij aanpassingen geen mensen te verliezen en elkaar vast te houden in geloof. Dit vraagt wel om met andere ogen naar onze gemeente te kijken en te leren van andere kerkelijke verbanden. Juist hier kunnen innovaties ons helpen.' Zo is Harry van Waveren, samen met de mensen van de PGG - in al haar geledingen - op zoek naar inspiratie voor innovatie.

dinsdag 15 januari 2013

Anders is óók goed

Gedachtewisseling met de Brongroep in Bergen op Zoom

Een groepsinterview - dat was ongeveer wat ik in gedachten had, maar het gesprek liep anders. Ik had mijn vragen zorgvuldig voorbereid. Toch had ik er niet voldoende bij stilgestaan, dat ik aan de groepsleden wat uitvoeriger uitleg moest geven over wat ik wil bereiken met mijn onderzoek naar 'krimp als kans'. Dat ik dus niet wil meegaan in het doemdenken over het krimpscenario. Dat er meer te halen valt als we inzetten op inspiratie in plaats van een soms te grote aandacht voor de organisatie. Dat ik denk dat er - net als de Brongroep - vele groepen zijn, die meer of minder afwijken van wat door sommigen wordt beschouwd als de hoofdstroom, groepen waarin echter precies het zoeken naar innerlijke kracht mensen samenbrengt. En hoe dat dan in de Brongroep tot uitdrukking komt.

De Brongroep is zo'n vijftien jaar geleden ontstaan, toen een aantal mensen rond de Emmauskerk in Bergen op Zoom-Noord op zoek ging naar nieuwe, aansprekende vormen van hedendaagse geloofsbeleving. Een aantal activiteiten in dat kader zijn inmiddels weer ter ziele, maar deze Brongroep heeft stand gehouden, al is de samenstelling in de loop der jaren verschillende keren gewijzigd. Men wilde destijds zoeken naar nieuwe inspiratie, naar een innerlijke bron die kracht geeft in het leven van mensen van vandaag. Zo is de naam van de groep ontstaan.

Een hilarisch moment tijdens de fotosessie.
Vlnr: Lous, Ada, Rina, Susan, Miep, Marinette, Mary en Hélène
(Angela ontbreekt op de foto omdat ze eerder weg moest)
Momenteel bestaat de groep uit mensen, waarvan sommigen zich gelovig en kerkelijk noemen (kerkelijk dan vanuit hun persoonlijke invulling), anderen liever wat meer afstand bewaren tot de plaatselijke en de mondiale kerk (al voelen ze zich op hun eigen manier aangetrokken tot geloof, in een brede betekenis van het woord) en weer anderen zeggen geen religieuze wortels te hebben maar wel op zoek zijn naar hun innerlijke kracht. De bijeenkomsten van de Brongroep, ongeveer tien keer op jaarbasis, gaan nu eens over maatschappelijke thema's, dan weer over meer spirituele onderwerpen, of ook wel - een enkele keer - over specifiek kerkelijke kwesties. Meestal wordt het thema door een van de leden voorbereid en ingeleid, maar het gebeurt ook wel dat de actualiteit of een persoonlijke gebeurtenis van een van de deelnemers de voortgang van het gesprek bepaalt.

Essentiële openheid

De kracht van deze groep is - aldus Angela - 'dat niks onbespreekbaar is. Juist die openheid voor alle mogelijke onderwerpen geeft een enorme energie. Wat ik hier met anderen kan delen, dat kan ik op geen enkele andere plek.' De saamhorigheid en het wederzijdse respect maken deze mensen tot een hechte groep.  Het is juist de dialoog, die de onderlinge band van de groepsleden bekrachtigt, ondanks dat (of misschien vooral omdat) er ruimte is voor verschil in opvatting. Het geeft een gevoel van gelijkgestemd zijn.

Hélène vult daarbij aan, dat zij die gelijkgestemdheid ook wel ervaart in kerkdiensten. De vertrouwdheid van de rituelen, de gebeden en de gezangen maken dat je de viering ook samen beleeft. Het is een soort verbondenheid, mag ik aanvullen, die je ook voelt als je met 17.000 mensen aanwezig bent bij een concert van Guus Meeuwis; je zit in dezelfde mood. 'Ik merk wel,' gaat Hélène verder, 'dat ik, anders dan vroeger, nu veel bewuster deelneem aan een viering. Ik zoek daar een zekere voeding en verrijking, die ik bijvoorbeeld niet vond toen ik - hoewel zeer boeiend - een bepaalde filosofische cursus volgde.' 

Het vaak dwangmatige karakter van het naar de kerk gaan, meent Lous, is gelukkig voorbij. Zij heeft de vrije keuze hoog in het vaandel staan. Omdat ze in de gebruikelijke kerkdiensten weinig tot geen inspiratie vindt, bezoekt ze de kerk niet meer. Maar het is voor Lous bijna een 'heilig moeten' om één keer per jaar naar Banneux, het Maria-bedevaartsoord in de Ardennen, te gaan. 'Daar haal ik voor een heel jaar kracht vandaan.'

Een tijdlang heeft Miep haar heil gezocht in een groep die deel uitmaakte van de Baghwan-beweging. Maar ze heeft dat ook weer losgelaten, toen ze de indruk kreeg dat de organisatie te strak werd. Er 'moest' teveel. Dat deed haar in ieder geval geen goed.

Duidelijk is, dat de mensen van de Brongroep - ieder op haar persoonlijke manier - zoeken naar een wijze om in de eigen kracht te kunnen staan. Angela, die zich niet gelovig noemt, heeft het dan over een kracht 'waar ik geen naam aan kan geven. Maar het is een kracht die ik niet uit mezelf heb, een kracht die groter is dan wat ik kan overzien. Daar wil ik voor open staan. En die openheid vind ik juist in deze mooie groep van mensen.'


Het parochiecentrum aan de Burgemeester Stulemeijerlaan:
huidige plek van samenkomst van de Brongroep

Ruimte voor vrijheid

Dit lijkt mij het moment in het gesprek om aan de Brongroep de vraag voor te leggen, of deze mensen zichzelf herkennen in mijn vermoeden, dat geloof en kerk in de samenleving en de cultuur van vandaag een marginale positie innemen. De term 'marginaal' lijkt bij sommigen wat negatieve associaties op te roepen. 'Het is meer,' zegt Miep, 'dat we min of meer parallel lopen aan de "hoofdstroom" van geloof en kerk. Er is duidelijk een bepaalde mate van verwantschap, maar wij zoeken op onze eigen manier naar contact met wat groter is dan onszelf.' Lous sluit daarop aan: 'Daarom is voor mij ook de vrijheid in het denken over geloof zo belangrijk. Alleen als je die vrijheid neemt, kun je zoeken naar wat voor jezelf tot de essentie behoort.' En Hélène voegt eraan toe: 'Ik neem voor mijzelf de vrijheid om een eigen invulling te geven aan het katholieke geloof.' Zonder die vrijheid, maak ik hieruit op, wordt het een dood of benauwend geloof. En Marinette bevestigt dit in feite door aan te geven, dat zij zich beter thuis voelt bij de aanduiding 'christen' dan 'katholiek', een aanduiding die haar meer ruimte biedt.

Wellicht is de aanduiding 'marginaal' in het kader van de gesprekken binnen de Brongroep niet helemaal adequaat. Toch denk ik uit het gezegde in de vorige alinea te kunnen opmaken, dat men zichzelf weliswaar verbonden ziet met de christelijke spirituele traditie (zij het ook voor ieder op een andere mate en wijze), maar dat er wel ruimte nodig is om daar een eigen invulling aan te geven. Die vrijheid is essentieel, en daarmee houdt men de mogelijkheid open om een positie in de zijlijn in te nemen, die het mogelijk maakt om los te komen van oude (kerkelijke) structuren en gebruiken. Mijn inschatting is, dat de mensen van de Brongroep - in hun zoeken naar inspiratie - zichzelf niet willen beschouwen als marginaal in het geheel van de samenleving en de cultuur.

Bij de gratie van het moment

De verbondenheid binnen de groep maakt, dat men juist hier vindt wat men hier zoekt: inspiratie, nieuwe kracht, spirituele voeding. Susan beaamt dit van harte. Maar het is wel een verbondenheid die vooral bestaat binnen het kader van deze groep. Andere vormen van verbondenheid (shoppen met vriendinnen, een avondje in de kroeg, sporten) komen weer tot stand met andere mensen. Mijn vermoeden over de verbondenheid in fragmenten wordt daarmee bevestigd. Ook in die zin, dat de verbondenheid in deze groep belangrijk is voor de momenten en de duur van de contacten met deze mensen. De verbondenheid in fragmenten hoeft dus niet als negatief te worden bestempeld, maar kan juist als een grote innerlijke kracht werken bij de gratie van het moment - een kracht die overigens wel wordt meegenomen voor latere levensmomenten.

En hoe zit het dan met 'geloof en kerk als beweging', in de visie van de leden van de Brongroep? Een vorm van beweging - of ontwikkeling - is herkenbaar als Miep zegt in de loop der tijd geleerd te hebben, 'dat Bijbelverhalen gezien moeten worden als metaforen. In die zin krijgen ze betekenis, niet als verhalen die je letterlijk moet opvatten.' Een andere wijze van beweging is te constateren als gezegd wordt, dat men binnen de Brongroep ruimte vindt om los te komen van oude structuren als die hinderen bij het vinden van inspiratie, zingeving, levensduiding. Hélène vat deze ontwikkeling samen door erop te wijzen, 'dat ik in deze groep leer om anders naar dingen en mensen te kijken. Het sterkt mij in de gedachte: anders is óók goed.'

Met deze woorden wordt het karakter van de Brongroep in mijn aanvoelen heel raak getypeerd. Het is een groep die zich, oorspronkelijk begonnen binnen het kader van een lokale geloofsgemeenschap, ontwikkeld heeft tot een open gezelschap, waarin het onderlinge respect en de dialoog belangrijke voorwaarden zijn voor het creëren van ruimte, waarin ieder kan komen tot een voor de betreffende persoon relevante duiding van het eigen leven.

donderdag 10 januari 2013

Metamorfosen III

Op zijn weblog vermeldt Sybrand van Dijk, dominee in het Groningse Sauwerd, dat hij het boek God in Fragmenten van de Franse theoloog Jacques Pohier - naar welk boek hij zijn weblog heeft genoemd - ook maar bij toeval op het spoor kwam: 'Zijn boek stond half vergeten op een plank in een boekhandel. De titel raakte mij. Het was een punt in mijn leven, waarop alles gebroken was. Ik voelde mij een karretje dat losgebroken was van de trein en uit de rails was geschoten. Ik was verdwaald, en in paniek, op onbekend terrein. God lag vóór mij, in stukken. In onherstelbare scherven. Ik verlangde terug naar het spoor. Ik wilde terug naar de trein. In mij huilde een ontroostbaar kind.'

Hunkering vaar verbondenheid

Uit deze woorden spreekt een hunkering naar verbondenheid: niet alleen met God, maar ook met mensen die Sybrand terug op dat spoor kunnen helpen. De behoefte aan verbondenheid, en vooral het voldoen aan die fundamentele behoefte, is essentieel voor het menselijk bestaan. De wijze waarop die verbondenheid tot stand komt, kan verschillen naar gelang de persoonlijke, culturele, maatschappelijke en spirituele omstandigheden die zich aan mensen voordoen. Ik meen dat de sterke individualisering van onze samenleving leidt tot een verbondenheid in fragmenten. En ik heb in een voorgaand bericht betoogd: 'Misschien ligt in het erkennen van ieders persoonlijke keuze daarom wel meer onderlinge verbondenheid dan we op het eerste oog zouden vermoeden. Het principieel erkennen van ieders individuele keuzemogelijkheid (en van de verbintenissen die zij/hij wel of niet wil aangaan) zou wel eens een echo kunnen zijn van de geduldige trouw van God (Ps 86, 15).'

Hier interesseert mij vooral de vraag, in hoeverre vanuit Borgmans Metamorfosen aanknopingspunten zijn te vinden voor het vermoeden, dat de erkenning van het gefragmentariseerde karakter van de menselijke verbondenheid een zinvolle en kansrijke betekenis heeft voor het geloof en het kerk-zijn van mensen van vandaag.

De fragmentarisering die ik constateer met betrekking tot de onderlinge menselijke verbondenheid, wordt ook door Borgman gesignaleerd als hij stelt: 'In Nederland drukt dit "geloven buiten verband" (believing without belonging) zich uit in het opmerkelijke gegeven dat een niet onaanzienlijk deel van de bevolking zich niet beschouwt als lid van een kerkgemeenschap, maar wel als gelovig. De religie en de kerken als een soort cultureel geheugen dus, waar mensen zich niet mee identificeren, maar dat ze achter de hand willen hebben om eruit te kunnen putten als ze dat nodig achten. ... Zoals waarschijnlijk op de meeste terreinen van het leven, gedragen zij zich ook in religiosis primair als consumenten en gebruikers.' (36)

Geschonken

Deze laatste constatering heeft beleidsmakers en voorgangers ertoe verleid om als kerk een positie te willen veroveren op De markt van geloven (titel van een boek van Anne van der Meiden, 2000, 2e druk). Het denken in marketingtermen met betrekking tot geloof en kerk is echter niet de insteek die Borgman kiest. Hij gaat uit van de gedachte, dat 'de christelijke traditie ... een visie [heeft] op wat de samenleving feitelijk bij elkaar houdt, en op het verplichtende karakter van deze werkelijkheid. ... Wij mensen danken wat wij zijn en wat wij hebben aan anderen, aan wat ons vrij geschonken is. Dit impliceert de verantwoordelijkheid bij te dragen aan het welzijn van anderen.' (117) Deze onderlinge solidariteit als verplichtende vorm van verbondenheid is echter geen op voorhand gegeven werkelijkheid. 'Partieel, gebroken, tekortschietend en steeds weer vragend om verdere voortgang en correctie kan deze solidariteit geïnstitutionaliseerd en gecultiveerd worden, zonder dat de mislukkingen ooit de illusie doen ontstaan dat alles voor niets is, of de successen dat het onmogelijke dan toch is gerealiseerd. Het onmogelijke verschijnt als mogelijke, en daarmee zinvolle opgave binnen een reëel gegeven. Tegelijkertijd blijft het een steeds wijkende horizon.' (126)

Van grote betekenis in deze visie is, dat Borgman de onderlinge menselijke verbondenheid niet zozeer benadert in termen van het marktmechanisme, maar als een morele categorie. Mensen gedragen zich niet enkel als gebruikers van wat zij in hun leefwereld aantreffen, maar ook - hoewel niet uitsluitend en niet in alle omstandigheden - als personen met een moreel besef. In het zeer genuanceerde hoofdstuk over De religieuze waardigheid van tot sterven geworden leven stelt Borgman vast, 'dat mensen individueel en georganiseerd contact met hen [= ernstig zieken en stervenden - WH] zoeken, zich toewijden aan hun verzorging, hen steeds opnieuw willen brengen tot een in hun situatie optimale vorm van goed en autonoom bestaan.' (216)

Een intrinsieke kans

De lotsverbondenheid als een verschijningsvorm van ultieme solidariteit komt vaak op een gebroken, fragmentarische wijze tot uiting. Zij wordt immers - aldus Borgman - gekenmerkt als 'steeds weer vragend om verdere voortgang en correctie.' (126) Dat betekent in mijn visie dan, dat in de verbondenheid - juist vanwege het fragmentarische karakter, dus omdat de verbondenheid nooit 'af' is - een intrinsieke kans zit opgesloten om in dat streven naar verbondenheid ook het geloof van mensen te ontdekken. Het is immers in de ervaring van de gebrokenheid van het bestaan, dat mensen het meest dringend behoefte hebben aan een oervertrouwen, aan een geloof dat grond geeft aan hun leven. Precies vanwege het steeds onvoltooide karakter van de verbondenheid staat zij - vanuit religieus c.q. christelijk oogpunt - in het teken van de uiteindelijke voltooiing door God zelf. En waar dit geloof van individuele mensen zich ontwikkelt tot een georganiseerde vorm van lotsverbondenheid en geloofsbeleving, daar kan ook sprake zijn van kerk in de betekenis van geloofsgemeenschap.

Kortom, waar het steeds opnieuw streven naar verbondenheid tussen mensen op een niet-dogmatische, praktisch-morele en persoonlijk doorleefde wijze tot stand komt en tevens gebaseerd is op de vrije keuze van individuele mensen, daar zie ik toekomstperspectief voor geloof en kerk in het tijdsgewricht, waarin wij leven. Ik hoop deze conclusie vanuit de concrete praktijk te kunnen onderbouwen in de interviews die ik wil voeren met mensen en groepen, waarvan ik veronderstel dat zij iets zichtbaar maken van de verbondenheid in fragmenten. Daarom: wordt vervolgd...

maandag 7 januari 2013

Metamorfosen II

Het is zeker een overmoedige gedachte om te veronderstellen er zonder meer een transformatie mogelijk is van een kerk als instituut naar een kerk als beweging, hoe noodzakelijk die omvorming ook mag zijn. Daarom zal dit proces, wil het een goede kans van slagen hebben, gebaseerd moeten worden op minstens twee pijlers: een geïnspireerde en inspirerende visie en een adequate (jaja, toch weer:) organisatorische inkadering. Inspiratie en organisatie vormen een onlosmakelijk geheel, maar de aandacht voor de inspiratie beschouw ik als het fundament voor de organisatie. De notie dat 'het geloof voorop' gaat, wordt verwoord in de beleidsvoornemens van het bisdom Breda uit 2007: In de duizend gezichten van uw volk.

Vanwege het primaat van de inspiratie wil ik mij in deze bijdrage richten op de vraag, of er in Borgmans Metamorfosen elementen te vinden zijn die een ondersteuning bieden voor de aanname dat 'kerk als beweging' kansen met meer perspectief oplevert voor het geloof van mensen dan de kerk in institutionele vorm. Eerder heb ik betoogd, dat de pelgrimage - die ik hier niet enkel als fysieke onderneming, maar ook als geesteshouding wil opvatten - 'doorgaans leidt tot het besef dat de pelgrim in veel opzichten afhankelijk is van de omstandigheden, van de mensen die zij/hij ontmoet, van Gods genade.' Het onderweg zijn mag daarom gezien worden als een metafoor voor het besef van receptiviteit en van flexibiliteit. Precies dit besef is nodig om te kunnen focussen op de betekenis van 'kerk als beweging'. (En toegegeven: eigenlijk gaat het mij hier meer om de beweging dan om de kerk.)

Een nieuwe religieuze situatie

Borgman gaat uit van de gedachte dat 'de hernieuwde belangstelling voor religie en religieuze thema's ..., in alle chaos, veelvormigheid en onduidelijkheid die het aankleeft, aan het licht [brengt] dat onze situatie op een onverwachte en nieuwe manier een religieuze situatie is.' (78) Als deze belangstelling in alle verwarrende verschijningsvormen inderdaad duidt op een verrassend andere religieuze situatie, dan kan deze vaststelling enkel gedaan worden vanuit de optiek, dat religie - net als vrijwel alle andere verschijnselen in de wereld waarin wij leven - onderhevig is aan wijziging, beweging, historiciteit en de beperkingen van het moment. Religie die een voor eens en altijd vaststaande waarheid belichaamt, is niet te beschouwen als een reëel en dus veranderend en veranderbaar verschijnsel, maar als een ideologie. Religie echter, die verstaan wordt als een fluïde en vaak ongrijpbare uiting van het menselijke verlangen naar heelheid en genade, is - juist in haar ondoorgrondelijkheid - moeilijker in te passen in het beeld van een kerk als instituut. Er zijn mensen, die deze 'verzwakking' van de religie betreuren.

Zich baserend op werk van de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo stelt Borgman vervolgens: 'Deze beweging in de richting van 'verzwakking' brengt de moderniteit volgens Vattimo op een verrassende manier in de nabijheid van de christelijke traditie.' (79) Met een verwijzing naar de brief van Paulus aan de christenen in Filippi (2, 6-11) wijst Borgman erop, dat 'God zich [heeft] ontledigd om in Jezus Christus als mens te verschijnen: zwak, kwetsbaar, zonder verweer tegen machtsuitoefening, en juist zo een onthulling van wat werkelijk van belang is. ... Zo is het meest verhevene te vinden in het meest onooglijke, het meest waardevolle in dat wat zichzelf het minst kan verdedigen.' (79) Het is deze paradoxale interpretatie van de werkelijkheid, die het mogelijk maakt ook onze actuele leefsituatie te zien als een religieuze situatie, want dan worden in die soms rauwe en vaak ongerijmde realiteit sporen zichtbaar van een toekomstscheppende God.

Hierop voortbordurend - nu onderbouwd vanuit de gedachtegang van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy - stelt Borgman dat het christendom, in tegenstelling tot religies die hun identiteit veelal baseren op wat in het verleden is gebeurd of vastgelegd, principieel geopend staat naar wat komt. 'God staat niet allereerst aan het begin van alles, maar openbaart zich in het verloop van de geschiedenis en zal zich pas volledig onthuld hebben aan het einde ervan. Dit opent het christendom voor het nieuwe dat zich aandient en laat het keren naar het andere dan zichzelf, met de verwachting dat juist daar de waarheid te vinden zal zijn.' (82)

Gericht op wat komt

Deze gerichtheid op het nieuwe dat zich aandient, veronderstelt een openheid, die niet vanzelfsprekend is. Het is een gerichtheid, die kwetsbaar maakt en die vraagt om moed. Ze is gefundeerd op het vertrouwen, dat niet de eigen waarheid zaligmakend is, maar het gezamenlijke zoeken naar wat waardevol is en toekomst schept. Ze veronderstelt, dat het mogelijk is om mijn eigen belangen los te laten in de overtuiging, dat slechts het onbaatzuchtig dienen van de belangen van de naaste uiteindelijk (in) mijn belang is. Met deze - voor het christendom principiële - gerichtheid op het nieuwe is in mijn optiek nauwkeurig de beweging aangeduid, die vanuit geloof en kerk nodig zijn om de geesteshouding van de pelgrimage mogelijk te maken.

De beweging, het pelgrimeren, het op weg zijn, het openstaan voor wie of wat zich aan mij voordoet, hoort tot het wezen van het christelijke geloof. De gerichtheid op het komende en op de Komende maakt christenen vrij om zich niet gebonden te achten aan wat is of aan wat is geweest. Deze gerichtheid geeft hen de moed en het gelovige vertrouwen, dat kwetsbare ontvankelijkheid geen zwakte laat zien maar juist een grote innerlijke kracht.

Toegespitst op de kerk als organisatie of als instituut betekent dit, dat wij de bestaande vormen, waarin de kerk zich aan ons voordoet, altijd opnieuw moeten leren zien onder de optiek van wat zich voordoet of zal voordoen. Het betekent wellicht vooral, dat wij de bereidheid weten op te brengen om bestaande vormen  los te laten omwille van de voortgang van het geloof van mensen. Geloof uit zich weliswaar in bepaalde organisatievormen en geritualiseerde gebruiken, maar het zit daar niet in opgesloten. De huidige culturele en maatschappelijke situatie - in al haar kleurrijke veelvormigheid, verwarring en dissonanten - getuigt daarvan. Voor wie het wil zien.

donderdag 3 januari 2013

Metamorfosen I

Het boek Metamorfosen, dat Erik Borgman in 2006 publiceerde, was in 2010 aan zijn vierde druk toe. Dit laatste geeft iets aan van het belang en de actuele betekenis van het onderwerp dat hij hierin aansnijdt. De ondertitel Over religie en moderne cultuur wijst op het raamwerk, waarbinnen hij het theologische debat wil voeren in confrontatie met de hedendaagse culturele en maatschappelijke context.

In deze bijdrage wil ik mij concentreren op de vraag, of het - vanuit de gedachtegang van Borgman - mogelijk is de hypothese te ondersteunen, dat de marginale positie van geloof en kerk eerder kansen dan bedreigingen biedt voor een hedendaagse, adequate geloofsbeleving en kerkontwikkeling. In twee toekomstige bijdragen wil ik dan het boek bevragen op de andere thema's van mijn studieverlof: kerk als beweging en verbondenheid in fragmenten.

Gezamenlijke afhankelijkheid

Het project (het boek is immers slechts een deel van zijn theologische onderzoeksprogramma) van Borgman is een gedurfde, maar ook uitdagende poging om de discussie over de betekenis en de waarde van religie te plaatsen in het hart en niet in de marge van het hedendaagse cultureel-maatschappelijke debat. Een van de belangrijkste redenen daarvoor is 'de noodzaak het steeds dreigende en angstwekkende cynische ongeloof in de publieke discussie tegen te gaan.' (13 - De cijfers tussen haakjes verwijzen naar de betreffende pagina uit Metamorfosen.) Het bestrijden van ongeloof is niet een poging tot herkerstening van de Europese cultuur, maar het opnieuw in herinnering brengen van de essentie van het religieuze in het publieke debat, waarin het uiteindelijk 'gaat om iets dat geen van de deelnemers bezit, maar wat zij alleen van elkaar kunnen krijgen. Dit verdient respect en vraagt toewijding. De gezamenlijke afhankelijkheid [curs. WH] van wat ons alleen in het debat gegeven kan worden, is de uiteindelijke - in mijn religieuze visie - grond van het recht van de vrijheid van meningsuiting die terecht in de westerse samenleving zo fundamenteel wordt geacht.' (13)

Het is juist de door Borgman gesignaleerde afhankelijkheid die de essentie van religie uitmaakt, en die - wellicht precies daarom, maar geheel ten onrechte - wordt geweerd uit het publieke debat. Immers: 'Elke vorm van politiek en cultuur kan worden verstaan als uitdrukking van een verlangen naar het geluk en als poging dit geluk naderbij te brengen. Dit maakt ze theologisch van betekenis als gestalten van verlangen naar God en als poging trouw te zijn aan God als de vervuller van het menselijk verlangen naar geluk.'(19) Het verlangen naar geluk en de pogingen dit te bereiken is een universeel menselijk gegeven. Dit gegeven heeft niet alleen politieke en maatschappelijk-culturele betekenis, maar impliceert ook een principieel theologische insteek. Want dit verlangen en deze pogingen zijn alleen zinvol in het besef van de onderlinge menselijke afhankelijkheid en in de erkenning dat de vervulling van dit verlangen is onderworpen aan het inzicht dat 'mensen ... steeds opnieuw en steeds op nieuwe manieren [ontdekken] dat zij hun leven niet kunnen beveiligen, niet kunnen beheersen, niet kunnen maken, en dat zij met dit gegeven in het reine moeten komen.' (49) 'Mijn theologische vermoeden is nu dat de huidige terugkeer van de belangstelling voor religie de ontdekking betekent dat het creëren van een volmaakte wereld onmogelijk is.' (50)

Verliezen en winnen

De inspanningen van Borgman om religie opnieuw in het hart van het publieke debat te plaatsen, worden overigens ook zichtbaar in zijn Overlopen naar de Barbaren. Het publieke belang van religie en christendom (2009, 2e druk). Dat deze inspanningen nodig zijn, zie ik als een erkenning van van de omstandigheid dat geloof en kerk feitelijk een marginale plaats innemen in de huidige samenleving. Maar tegelijk zijn deze inspanningen een bevestiging van de mogelijkheid om vanuit die marginale positie nieuwe kansen te benutten om door te dringen tot het wezenlijke van geloof en kerk. Deze kansen zijn vooral gelegen in de mogelijkheid om een ander aspect van de christelijke religie te benadrukken. Hierbij gaat het om de notie van 'verliezen in vertrouwen op de belofte van terugwinnen'. Borgman werkt dit uit in het - voor mij zeer inspirerende - hoofdstuk over De christelijke traditie als herinnering aan Gods kenotische nabijheid. (230-245)

'Kenosis' is een begrip dat is ontleend aan de brief van Paulus aan de Filippenzen (2, 6-11). De term wordt  in theologische zin gebruikt om aan te duiden, dat God in Jezus een menselijke gestalte heeft aangenomen; in zijn overgave aan de dood op het kruis heeft Jezus laten zien dat hij zijn goddelijke natuur niet heeft willen vasthouden, maar in alle opzichten de menselijke natuur heeft willen delen. Precies in de schandelijke dood aan het kruis - een langzame en gruwelijke marteldood die destijds bedoeld was voor slaven, want Romeinse staatsburgers kregen een eervolle doodstraf: zij werden onthoofd - is zichtbaar geworden hoe God in dat moment van totale godverlatenheid toch aanwezig kan zijn als degene op wie te vertrouwen is, ook al lijkt dat vertrouwen volkomen absurd. Borgman: 'Precies de christelijke overtuiging dat in Jezus' overgave aan deze goddeloosheid en in zijn bereidheid eraan te gronde te gaan, zichtbaar werd hoe God is, maakt het onmogelijk te claimen dat christenen en hun kerk als erfgenamen van Jezus alle waarheid in bezit zouden hebben.' (234) 'Jezus belichaamt een waarheid die geen bezit kan zijn, maar een ruimte die steeds opnieuw wordt ontvangen op plaatsen waar dat het minst te verwachten is [curs. WH].' (235)

Het waagstuk dat geloven heet

Het is vanwege deze laatste formulering, dat ik mij gesterkt voel in mijn vermoeden om de kansen voor geloof en kerk te zoeken in de marge - niet omwille van geloof en kerk als zodanig, maar omwille van mensen die in en vanuit dit waagstuk, dat geloven heet, willen leven. De hierboven genoemde ruimte en de in Jezus op een ultieme wijze gepersonifieerde, vertrouwvolle ontvankelijkheid, waardoor een gerichtheid ontstaat op het onverwachte, maken het mogelijk in de marge de kansen te ontdekken, die wij in het centrum van de hedendaagse doel-rationaliteit nauwelijks vermogen te zien.

Wat dan concreet de kansen in de marge zijn voor geloof en kerk, kansen die benut kunnen worden in de feitelijke omstandigheden, wil ik in de komende tijd onderzoeken in een aantal gesprekken met mensen en groepen, waarvan ik vermoed dat zij vanuit 'een ruimte die steeds opnieuw wordt ontvangen' het voortouw nemen.  In die lijn sluit ik af met een programmatische oproep van Borgman: 'Het komt erop aan oog te krijgen voor de levenskracht van de veelkleurige en veelvormige, vaak warrige en weinig gesystematiseerde religieuze vormen die schuil gaan onder de oppervlakte van de mondiale rationalisering. Religie lijkt steeds opnieuw te ontstaan uit de confrontatie met de ongerijmdheden van het individuele en collectieve bestaan, uit het verlangen naar ordening in de chaos, uit de drang naar leven te midden van de dreigende dood, uit de soms wanhopige hoop op een dragende kracht die bevrijdt van de onmogelijke taak zelf het eigen leven te maken.' (231)

vrijdag 28 december 2012

De waarde van het weerloze

Over enkele dagen begint mijn sabbatverlof. Drie maanden ruimte om mij niet te hoeven bezighouden met afspraken, werkroosters en deadlines (dit alles mede mogelijk gemaakt door mijn collega's, door het bestuur als mijn werkgever, door het bisdom met een mooie regeling voor studieverlof). Drie maanden ruimte om mij te concentreren op het zoeken naar kansrijke gedachten en inspirerende initiatieven. Drie maanden om het mosterdzaadje te cultiveren: het sterke voorgevoel, dat er volop mogelijkheden zijn voor mensen die willen geloven, ondanks - misschien wel juist dankzij - de krimp in de kerkelijke organisatie (dit alles met het doel om de resultaten van mijn zoektocht terug te geven aan collega's, geïnteresseerde parochianen en bisdom).

De zoektocht zal onder meer verband houden met het benoemen van positieve waarden, die richting kunnen geven aan mensen en hun zoektocht naar een vorm van authentiek geloof. Ik wil het aanwijzen van deze waarden verduidelijken aan de hand van de drie veronderstellingen, die ik in mijn vorige bericht heb geformuleerd.
  1. Als het klopt, dat de marginale positie van geloof en kerk beschouwd moet worden als een kansrijke positie, waarin ligt dan de waarde van die positie? Dat kerk en (geïnstitutionaliseerd) geloof in de zijlijn van de samenleving terecht zijn gekomen, maakt hen kwetsbaar. Althans in die zin, dat zij niet in de positie verkeren om stevige invloed uit te oefenen op maatschappelijke ontwikkelingen. Maar misschien biedt die kwetsbare, marginale opstelling - juist aan mensen die zoekend geloven - een gouden kans om zich te kunnen vereenzelvigen met een van de kernthema's van het christelijke geloof: dat in de kwetsbaarheid een grote kracht is gelegen. Die kwetsbare opstelling maakt mensen immers eerder ontvankelijk en open dan een leerstellige zekerheid, die weinig ruimte laat voor afwijkende opvattingen en gedragingen.
    Erik Borgman formuleert het aldus: 'Christelijk gezien is datgene van waarde wat mensen ruimte geeft het goede, waardevolle leven te kunnen zoeken, ervoor open te staan, het te kunnen ontvangen en het te kunnen cultiveren. Deze ruimte lijken mensen precies te zoeken in de nieuwe vormen van religiositeit die ... zijn ... te beschouwen als uitdrukkingen van - in traditionele christelijke termen - verlangen naar genade.' (Metamorfosen, 142v)
    Precies het verlangen naar genade veronderstelt een fragiele, maar krachtige openheid, die een belangrijke waarde inhoudt in de zoektocht naar wat richting kan geven vanuit het geloof. En op basis van die principiële ontvankelijkheid stelt het geloof in één adem de huidige maatschappelijke utopie onder kritiek, dat de wereld, de toekomst, de mensen maakbaar zijn en dat ieder mens zijn eigen toekomst ontwerpt. Juist deze kritiek kan beter, scherper geformuleerd worden vanuit de marge dan in het centrum van de macht.
    Natuurlijk maakt deze ontvankelijkheid vanuit de zijlijn ons kwetsbaar. Daar moeten we niet te licht over denken. Want het kan gebeuren, dat hoon en ongenuanceerde kritiek, spot en zelfs verdachtmaking ons deel zullen zijn. Maar Jezus houdt ons voor: 'Gelukkig zijn jullie, als ze jullie uitschelden en vervolgen en je van allerlei kwaad betichten vanwege Mij. Wees blij en juich, want in de hemel wacht jullie een rijke beloning. Zo hebben ze immers de profeten vóór jullie vervolgd.' (Mt 5, 11-12)
    Open staan voor wat/wie zich aandient en het bewust kiezen van een onafhankelijke, marginale positie kunnen dus als positieve waarden worden geformuleerd, die perspectief bieden op een authentieke, in de hedendaagse omstandigheden kansrijke geloofsbeleving.
  2. Een andere vorm van ontvankelijkheid en kwetsbaarheid wordt zichtbaar, wanneer de kerkelijke organisatie zich weet los te maken van het institutionele denken ten gunste van geloven als een beweging. Welke waarde kan worden toegekend aan deze andere, meer fluïde denkwijze?
    Het mag duidelijk zijn, dat het menselijk samenleven niet zonder instituties, zonder organisaties kan: ze geven immers aan, hoe dingen zijn geregeld, hoe mensen zich ten opzichte van elkaar dienen te gedragen, welke doelen er nagestreefd dienen te worden. Organisaties kenmerken zich door drie basispijlers: kennis, kader en controle (zie Wikipedia), pijlers die nodig zijn om het instituut te kunnen voortzetten. Maar tegelijk kan een instituut de neiging hebben om een zeker stollingsgehalte te ontwikkelen, vooral wanneer de kernwaarden uit het verleden niet op een adequate wijze aansluiten bij de actuele ontwikkelingen. Dat geldt niet alleen voor het kerkelijk instituut als wereldwijde organisatie, maar ook voor de kerkelijke organisatie op niveau's van bisdom en parochie(kern).
    Geloven als beweging is door de eeuwen heen (en in vrijwel alle godsdiensten) zichtbaar in de pelgrimage. Het op weg zijn - naar een voorgenomen fysieke of spirituele bestemming - is een onderneming die kwetsbaar maakt. Want het einddoel is niet op voorhand bereikbaar, nog los van de wijze waarop het doel tenslotte wordt bereikt. Maar ook hier is sprake van een groeiende ontvankelijkheid, omdat het pelgrimeren doorgaans leidt tot het besef dat de pelgrim in veel opzichten afhankelijk is van de omstandigheden, van de mensen die zij/hij ontmoet, van Gods genade. De notie, die het Tweede Vaticaans Concilie heeft geformuleerd als 'Gods volk onderweg' (vgl. Lumen Gentium 14: 'deze pelgrimerende kerk'), getuigt van deze ontvankelijkheid.
    Ook deze vorm van fragiele, niet-gestolde en receptieve openheid is een precair gebeuren. Omdat niet vooraf vaststaat, of en op welke wijze het doel wordt bereikt. Vraag is zelfs, of er een doel bereikt moet worden, want het onderweg zijn zelf is wellicht de intrinsieke betekenis van de pelgrimage, omdat in die voortgaande beweging zichtbaar en ervaren kan worden hoe het menselijk verlangen naar goddelijke genade (zie Borgman) tot vervulling kan komen.
    Principiële beweeglijkheid en receptiviteit kunnen derhalve eveneens als positieve waarden worden aangeduid in het ontwikkelen van een veelbelovende, toekomstbestendige geloofshouding.
  3. Tenslotte heb ik de hypothese geformuleerd, dat de individualiteit die hedendaagse mensen kenmerkt ertoe leidt, dat het zoeken naar gemeenschappelijkheid en verbondenheid steeds een fragmentarisch karakter heeft. De beperkte duur van onderlinge verbondenheid lijkt in tegenstelling te staan met de geduldige trouw van God (Ps 86, 15). Maar het gegeven van een beperkte en tijdelijke saamhorigheid is hoe dan ook onmiskenbaar in de wereld van vandaag. Welke waarde kan dan worden toegeschreven aan deze gemeenschappelijkheid in fragmenten?
    Het mag duidelijk zijn, dat mensen zich - ook vandaag nog - langdurig kunnen binden aan elkaar in een keuzerelatie (partnerschap, huwelijk, familieband). Toch zijn er ook veel bindingen, die mensen slechts aangaan met anderen voorzover die binding een bepaald nut of voordeel oplevert: in economisch, cultureel, politiek of spiritueel opzicht of met het oog op het ambiëren van een bepaalde status. Zodra het voordeel niet meer gezien wordt, kan men de binding opzeggen. Dat geldt niet alleen voor de verbondenheid die men al of niet voelt met de kerk, maar ook met politieke partijen of vakbonden. Van de binding met het geloof en de (lokale) kerk zien mensen vaak alleen het nut nog op het moment, dat ze gebruik willen maken van bepaalde diensten rond scharniermomenten in hun leven. Of men zoekt verdieping van het geloof op bepaalde zelfgekozen momenten in stilte en cursusaanbod van een klooster of van spirituele gidsen.
    Kenmerkend van deze gefragmentariseerde bindingen is, dat de keuze ligt bij de persoon zelf. Anders dan tot in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de keuze (of dwang?) van de binding vaak lag bij de gemeenschap, is het nu de individuele mens die kiest welke verbintenis het beste bij haar/hem past. Dit is een ontwikkeling, die we - ieder individueel, maar ook gezamenlijk, als samenleving - hebben gemaakt. Het heeft weinig zin, om deze gang van zaken te ontkennen of tegen te werken. Het is wel van belang te onderkennen, dat hierdoor de gemeenschappelijke moraal het dreigt af te leggen tegen de individuele. De sterke behoefte in de huidige samenleving aan meer onderling - en daadwerkelijk - respect is een significante uiting van dit verlies aan gezamenlijke moreel besef. Het vraagt dus van individuele leden van de samenleving dat zij zich als individu het besef eigen maken van het belang van moreel verantwoord gedrag. Deze individuele verantwoordelijkheid kan een stevige basis vormen voor het gefundeerd kiezen van de bindingen die mensen wel of niet willen aangaan.
    De principiële bereidheid om de keuze te laten bij het individu betekent dan, dat je de ander de mogelijkheid biedt om een alternatieve keuze te maken. Het hooghouden van deze bereidheid maakt je daarom kwetsbaar. Je bent immers bereid het risico te lopen, dat de ander jou niet zal volgen in jouw keuze. Maar als zij/hij die keuze maakt op basis van de eigen morele verantwoordelijkheid, dan moet je aannemen dat het een keuze is op basis van kwaliteit, een keuze die daarom het beste past bij de persoon in kwestie. Deze keuzemogelijkheid hanteren als een principieel uitgangspunt is de eerste stap op weg naar de hierboven gesignaleerde behoefte aan eerbiediging van ieders persoonlijke keuze. Misschien ligt in het erkennen van ieders persoonlijke keuze daarom wel meer onderlinge verbondenheid dan we op het eerste oog zouden vermoeden. Het principieel erkennen van ieders individuele keuzemogelijkheid (en van de verbintenissen die zij/hij wel of niet wil aangaan) zou wel eens een echo kunnen zijn van de geduldige trouw van God (Ps 86, 15).
    De waarde van gefragmentariseerde verbondenheid is daarom gelegen in de principiële erkenning van ieders persoonlijke keuze, een erkenning die een afspiegeling is van Gods grootmoedigheid. Hij is immers 'barmhartig en genadig, geduldig, groot in liefde en trouw' (Ex 34,6).
Resumerend kan gesteld worden dat het bewust kiezen voor de marginale positie van geloof en kerk, het nastreven van de kerk als een pelgrimerende gemeenschap en de fundamentele erkenning van de verbondenheid in fragmenten een kwetsbare, risicovolle maar ook kansrijke onderneming is, die zich richt op het ontplooien van waarden als ontvankelijkheid, kritische onafhankelijkheid, ruimte voor ontwikkeling en beweeglijkheid en principiële keuzevrijheid. Juist in het broze van deze waarden is hun kracht gelegen, omdat ze iets weerspiegelen van het goddelijke geheim dat zich laat kennen als het gefluister van een zachte bries (1 Kon 19, 12).

zaterdag 15 december 2012

Een hardnekkig vermoeden

In de hedendaagse beeldcultuur komen dagelijkse vele, vele foto's voorbij. De meeste trekken niet langer dan een of twee tellen de aandacht. Maar er zijn afbeeldingen, die iets beter mijn interesse kunnen vasthouden. Het zijn vaak foto's, waarop slechts een deel van het object zichtbaar is. Zelf maak ik ook graag van zulke foto's. Omdat ze - door het geheel slechts partieel in beeld te brengen - je de vraag laten stellen: 'Wat zou er nog meer te zien zijn, buiten de randen van de afbeelding?' Zulke foto's wekken je nieuwsgierigheid naar dat 'meer', waardoor je langer, beter, verwachtingsvoller kijkt naar de afbeelding.

Een vermoeden, misschien wel een hardnekkig vermoeden ligt ook ten grondslag aan het onderwerp, dat ik in mijn sabbatverlof wil onderzoeken. Inmiddels heeft de bisschop zijn goedkeuring verleend aan mijn sabbatverlof, dat per 1 januari 2013 aanvangt. In de aanvraag voor het sabbatverlof, die aanleiding gaf tot de bisschoppelijke akkoordverklaring, heb ik - bij wijze van vermoeden - gesteld dat het 'heel verfrissend (kan) zijn om op een andere manier te (leren) kijken naar het actuele krimpscenario. Wellicht kan de huidige ontwikkeling ons helpen om ons opnieuw te concentreren op de kernwaarden van het christendom, op datgene waar het Jezus van Nazaret in essentie om te doen was. Het naderende koninkrijk Gods zette hem ertoe aan om Gods liefde zichtbaar te maken in zijn eigen sterke spirituele verbondenheid met God en – nauw daarmee samenhangend – in zijn ultieme dienstbaarheid aan het tot hun recht brengen van de mensen met wie hij omging.

Kwalitatieve groei

De kwantitatieve krimp, waarvan hierboven sprake was, zou – in een proces van her­bronning – wel eens kunnen leiden tot een kwalitatieve groei. Het is niet zo, dat de inhoud van de christelijke boodschap verloren is gegaan, maar ze is – door alle aandacht voor re­organisatie en schaalvergroting in de afgelopen tijd, – wel onder het stof geraakt. Dat vraag dus om een andere manier van kijken naar de realiteit van geloof en kerk.'

Meer toegespitst heb ik de vraagstelling voor mijn onderzoek geformuleerd als het 'zoeken naar en (op bescheiden schaal) ontwikkelen van concrete handelingsmodel­len die ons helpen bij het terugkeren naar de kernwaarden van het christendom (geloven in het naderende koninkrijk Gods), waarbij we ons concentreren op de inspiratie ('zijn') en minder op de organisatie ('hebben'). Deze handelingsmodellen zullen gevonden en ontwikkeld dienen te wor­den vanuit het krimpscenario als een kansrijk proces. Juist die worteling in de krimpsituatie is van belang om de slagingskans van de handelingsmodellen zo groot mogelijk te maken.'

Drie vragen

Deze globale vraagstelling heb ik nader uitgewerkt in een drietal, hieronder toegelichte, vragen, die ik in de komende maanden verder wil exploreren. Elk van deze drie vragen gaat uit van een veronderstelling (een vermoeden of hypothese), waarvan ik het werkelijkheidsgehalte wil onderzoeken aan de hand van a) gesprekken met mensen en groepen die met de betreffende vragen al enige ervaring hebben en b) relevante filosofische, fundamenteel-theologische en praktisch-theologische literatuur. Het gaat om de volgende vragen:

  1. In de Nederlandse samenleving is de positie van de kerk meer en meer marginaal geworden. Dat beschouw ik niet als een verlies, maar als winst. Want we hebben geen positie meer te verdedigen. Deze positie maakt ons vrij(er) in onze uitlatingen, in onze kritiek op wat gangbaar is in de samenleving. Daardoor kunnen we de evangelische kern van gerechtigheid en vrede - Jezus noemt dat: het koninkrijk Gods - beter onder de aandacht brengen. De vraag, die ik in dit verband wil onderzoeken, is derhalve: waar wordt zichtbaar dat de marginale positie van de kerk als winst gezien kan worden voor inspiratie vanuit het geloof?
  2. Ik veronderstel dat er in het organiseren van en in het denken over geloof en kerk een omvorming moet plaats vinden van instituut naar beweging. Deze transformatie is nodig, niet alleen voor het grote instituut, maar ook voor het 'instituut in het klein': de parochie c.q. de parochiekern. Want waar de parochiekern nog zoveel mogelijk probeert overeind te houden wat ooit allemaal gebeurde in de parochie, blijft ze zich gedragen als een instituut. De beweeglijkheid van de parochiekern (de flexibiliteit) geeft vermoedelijk meer toekomstkansen dan de institutionele route. Vandaar de vraag: waar wordt zichtbaar dat de 'kerk als beweging' kansen oplevert voor het geloof van mensen met het oog op de toekomst?
  3. De derde hypothese heeft te maken met het gegeven, dat de individualiteit die hedendaagse mensen kenmerkt ertoe leidt, dat het zoeken naar gemeenschappelijkheid en verbondenheid steeds een fragmentarisch karakter heeft. Verbondenheid is een gebeuren van beperkte duur. De erkenning van deze gefragmentariseerde verbondenheid zou gezien kunnen worden niet als een beperking, maar als een verdieping van de hedendaagse geloofsbeleving. Want de inspiratie van het geloof krijgt juist betekenis op het moment dat ze - gezamenlijk, in onderlinge dialoog - gevonden en gezien wordt; men neemt die mee als waardevolle bagage voor de eigen levensgeschiedenis. De derde vraag als toespitsing van het onderzoek richt zich dus op het zoeken naar waar zichtbaar wordt, dat de gefragmentariseerde verbondenheid kansen oplevert voor het geloof van mensen met het oog op de toekomst?

Op zoek naar kansen

Ik besef, dat drie maanden slechts een korte periode is, misschien wel te kort om de hierboven geformuleerde vermoedens te toetsen. Het zou daarom goed zijn de vragen in de komende tijd nog enigszins toe te spitsen, zodat ze kunnen leiden tot hanteerbare conclusies.

Verder realiseer ik mij, dat de hardnekkigheid waarmee wordt vastgehouden aan een vermoeden kan leiden tot vooringenomenheid. Dat wil echter niet zeggen, dat ik mijn vermoeden - dat in de krimp wellicht mooie kansen liggen opgesloten - wil loslaten. Deze week kwam ik ergens de uitspraak tegen: Dreams don't work. Unless you do. Vrij vertaald: dromen zijn bedrog, behalve als je ze tot leidraad neemt. De kansen voor geloof en kerk: daar wil ik dus naar op zoek gaan. Dat ik daarbij het risico loop een illusie te volgen, neem ik op de koop toe.